“Het hobo-riet was mijn strohalm“, verzucht de beroemde hoboïst Han de Vries tijdens één van de gesprekken die Annemieke Hendriks met hem hield. En dat waren er, verspreid over vier jaar heel wat. In die gesprekken en in het boek dat verscheen bij uitgeverij De Kring leren we De Vries dankzij Hendriks grondig kennen, als musicus, maar zeker ook als mens en krijgen we tegelijkertijd een mooi beeld van het Nederlandse muziekleven sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw. Pijnlijke onderwerpen ging Hendriks daarbij beslist niet uit de weg, iets waar de titel van dit boek ook zeker naar verwijst. Ook bij de op 31 augustus 1941 geboren De Vries ging het namelijk zeker niet altijd over rozen.
Deels kwam dat doordat De Vries Joods is. Zijn vader zat in het verzet en werd in het begin van de oorlog opgepakt, zijn moeder moest onderduiken net als Han zelf, maar gescheiden van elkaar en zijn grootouders kwamen om in het vernietigingskamp Sobibor. Het zou Han, ook al praat hij er duidelijk niet graag over, zijn leven lang bezighouden: “Iets passeert je, en dat zijn je jeugdherinneringen. Die komen een tijdje achter je en dan naast je rijden (Han was een fervent wielrenner, red.) en halen je uiteindelijk in. Ik heb dit hobovak onbewust gebruikt om voor de bui uit te rennen.” En al was ook een andere kant, het was een artistiek milieu waar hij in opgroeide, iets dat er zonder meer aan heeft bijgedragen dat hij voor de muziek koos, die oorlog en de nasleep daarvan, waaronder een moeizame relatie met zijn ouders, loopt als een rode draad door dit boek. Knap is hoe Hendriks voorzichtig aan het korstje durft te peuteren zonder De Vries tegen zich in het harnas te jagen. Zaken waar hij duidelijk liever niet over praat, komen zo toch vrij uitgebreid aan bod. Daarnaast interviewde Hendriks een groot aantal mensen die met De Vries in al die jaren hebben samengewerkt als Edo de Waart, Elly Ameling, Vera Beths, Theo Loevendie en Jaap van Zweden. Boeiend is daarbij dat ze de geïnterviewden regelmatig quotes van De Vries voorlegt en andersom en zo probeert grip te krijgen op soms tegengestelde meningen. Het maakt dit boek zonder meer tot een plezier om te lezen.

Na studies bij toenmalige grootmeesters op de hobo, Jaap Stotijn en diens zoon Hakon treedt hij in 1963 aan als tweede hoboïst bij het Concertgebouworkest. En ja daar maakt hij op 17 november 1969 de Aktie Notenkraker mee in het Concertgebouw, waar Loes van Dommering-Van Rongen enige jaren geleden nog een boeiend boek over schreef dat ook hier aan bod kwam. En omdat Han wel sympathiseert met de musici en componisten erachter is Bernard Haitink, de toenmalige chef-dirigent die die avond op de bok stond, enige tijd ook kwaad op Han die van de actie geweten zou hebben, maar dat tot op heden ontkent. Een jaar later stapte De Vries uit het orkest, hij was de tweede plek zat, maar wilde ook meer vrijheid om aan een solocarrière te kunnen werken.
Dat lukte bijzonder goed al was niet iedereen er altijd van overtuigd dat De Vries daarin de goede keuzes maakte. De Vries heeft een nogal eclectische instelling en dat leidde ertoe dat hij zich niet altijd beperkte tot de ‘echte klassieken’, maar ook regelmatig uitstapjes maakte, al dan niet op plaat, naar de lichte muziek, iets dat hem door de goegemeente lang niet altijd in dank werd afgenomen. Als klassiek musicus werk je immers niet samen met musici als Louis van Dijk of goede vriend Willem Breuker, maar beperk je je tot het serieuze werk. De Vries zag echter geen enkel probleem en ging vrolijk zijn eigen weg, iets dat hem geen windeieren legde en er voor zorgde dat hij bij een breed publiek bekend werd. Maar iets dat er zeker ook aan heeft bijgedragen dat hij zijn demonen de baas bleef en blijft, want ondanks dat hij inmiddels 84 is, geniet hij zo te lezen nog iedere dag van het leven.
