Wellicht is de componist Willem Pijper wel het beste voorbeeld van een volgens mij toch typisch Nederlands fenomeen: wij hebben veel te weinig gevoel voor onze muzikale traditie! Deze man, zonder meer één van de belangrijkste componisten van de eerste helft van de vorige eeuw, zo niet dé belangrijkste, raakte al snel na zijn veel te vroege overlijden in 1947, hij was pas 52 jaar, al vrij snel in de vergetelheid. De tijden veranderden, alsmede de muzikale smaak en zeker de acties van de Notenkrakers en dan in het bijzonder die van Reinbert de Leeuw, die de muziek van Pijper eind jaren ’60 tot de grond toe affakkelde, hadden voor de man zijn muziek grote gevolgen. Cd’s met zijn muziek zijn dan ook nagenoeg niet beschikbaar en ook op de podia is zijn muziek nog altijd zelden te horen, al lijkt daar de laatste jaren wel wat verandering in te komen. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat ook ik de muziek van Pijper nauwelijks kende. De magnifieke biografie die Arthur van Dijk schreef en de hij de titel ‘Een lied dat niet sterven zal, het rusteloze leven van Willem Pijper’ meegaf, onlangs verschenen in de serie Open Domein van de Arbeiderspers, is dan ook niet minder dan een terecht eerherstel van deze grootmeester.
Van Dijk houdt zich al enige jaren intensief bezig met de mens en componist Pijper. In 2011 redigeerde hij ‘Het Papieren Gevaar’ uit waarin een ander zeer belangrijk facet van Pijpers carrière aan bod kwam: die van criticus voor diverse kranten en bladen en die van invloedrijk essayist. Bijna tweeduizend pagina’s telt dit uit drie delen bestaand overzicht van alles wat Pijper gepubliceerd heeft. Acht jaar later kwam er een bloemlezing van Pijpers brieven uit onder de titel ‘In het licht van de eeuwigheid’, in de fameuze serie Privé Domein, eveneens van de Arbeiderspers en nu ligt er dus een vuistdikke biografie. Mooi is dat Van Dijk in zijn inleiding reeds schrijft dat hij daar geen poging wil ondernemen te beschrijven wat voor man Pijper was: “De lezer zal zich na het lezen van de biografie zelf een beeld kunnen vormen, en daarbij zullen zoveel voorstellingen ontstaan als er lezers zijn”. Een terechte opmerking, want zelfs nu ik die biografie uit heb, blijft het lastig om de essentie van deze veelzijdige man te vangen. Dat was tijdens Pijpers leven overigens niet anders, zo laat Van Dijk op veel plekken zien.

Een aantal zaken vallen wel op. Ten eerste was Pijper een zeer ambitieus mens die eigenlijk nooit volledig toe kwam aan wat voor hem als het allerbelangrijkste gold: componeren. Want hij mag dan zeker zeer invloedrijk geweest zijn, bijzonder veel gecomponeerd heeft hij niet. Iets dat overigens mede te wijten was aan een vrij korte carrière. De eerste relevante stukken schrijft hij rond zijn twintigste, dus in 1914-15 en de laatsten zo vlak voor de oorlog. Een carrière dus van ongeveer vijfentwintig jaar. Maar ja, ook toen was componeren geen vetpot en uit een rijke familie stamde Pijper niet. Voeg daarbij dat hij graag op stand leefde met alles wat daarbij hoort en het wordt al snel duidelijk dat louter componeren niet voldoende is. Een carrière als criticus, docent en later als directeur van het Rotterdamse Toonkunst conservatorium brengt daarin uitkomst, al zal Pijper altijd te weinig geld hebben, maar werkt hem op andere terreinen tegen. Zo kan Pijper alle organisatorische en representatieve verantwoordelijkheden die met name bij die laatste functie komen kijken maar moeilijk opbrengen. Toch blijken de financiën niet de enige reden waarom Pijper voor al die nevenfuncties kiest, zijn ambitie speelt hem ook hier parten, enige ijdelheid is hem beslist niet vreemd en hij vindt, deels overigens terecht, dat hij ook echt iets te zeggen heeft.
Want ja, Pijper was bijzonder goed op de hoogte van de muzikale ontwikkelingen en zeker niet alleen in Nederland en kon daar ook met gezag over spreken en schrijven, iets waar hij door vrienden om werd geprezen en door vijanden om gevreesd. Het overschaduwde, zeker in de beginjaren, nogal eens zijn status als componist, zeker ook omdat lang niet iedereen zijn muziek begreep en kon waarderen, met als absoluut dieptepunt de première van zijn tweede symfonie in 1921. Citaten van de critici Lou Lichtveld en Herman Rutters, bij Pijpers tweede cellosonate uit 1926 zeggen wat dat betreft genoeg, Lichtveld: “al staan wij voor Pijpers denkleven vaak onwennig, het werk is zeker belangrijk en knap” en Rutters: “Alles is hier rank, van bouw, van lijn, van détail, muzikaal, eerlijk en zuiver overwogen. Ofschoon ik oprecht wil erkennen dat Pijpers innerlijke intenties mij hier vooralsnog raadselachtig zijn gebleven”. Die kritiek hangt samen met de vernieuwende vorm van componeren, waarin Pijper aansluiting zoekt bij de Franse componisten uit zijn tijd, Claude Debussy voorop en bij de vroege Igor Stravinsky – van diens neo-classisisme moest Pijper niets hebben – maar ook zeker een geheel eigen stijl ontwikkelt. Waar de luisteraars in zijn tijd het meest moeite mee hadden, was dat Pijper de gevestigde vormen losliet en ging werken met polytonaliteit en polyritmiek, waarbij diverse muzikale lijnen gelijktijdig kunnen klinken, iets waarmee Pijper teruggrijpt op de polyfone muziek van de Renaissance.

Mooi is hoe Van Dijk in zijn biografie laat zien dat het hier niet louter om muzikale voorkeur gaat, iets dat overigens ook tijdgenoten opviel. Zijn leerling en vriend Bertus van Lier zag parallellen met de kiemcelmethode en Pijpers levenshouding van permanente ontwikkeling en Van Dijk wijst op “een mogelijk verband tussen de keuze voor polyfonie en polyritmiek en een ander wezenlijk kenmerk van zijn persoonlijkheid. Het is niet vergezocht om te constateren dat de polyfonie in belangrijke mate tegemoetgekomen moet zijn aan zijn complexe karakter en de tegenstrijdige gevoelens en verlangens die ook hem hebben gehanteerd”. De keuzes die hij in zijn carrière maakte, horen hier zeker bij, maar ook nog een ander zeer wezenlijk aspect dat hier nog niet aan bod kwam. Pijper kende ook in de liefde weinig tot geen beperkingen. Hij had zijn leven lang vele amoureuze relaties, vrijwel altijd tegelijkertijd. Daar was hij open en eerlijk over, ook naar zijn vriendinnen, maar dat die daar niet altijd hetzelfde over dachten als Pijper moge duidelijk zijn. En dat dit vaak gepaard ging met de nodige spanningen, iets waar we ook in deze biografie het nodige van mee krijgen, zal u niet verbazen.
