Als het om de basklarinet gaat, kunnen we niet om Christer Bothén heen. Deze Zweedse musicus draait al mee sinds begin jaren ’70 en is sindsdien een bepalende stem op dit instrument. Bijzonder is daarnaast dat hij voor de lage noten ook regelmatig uitwijkt naar de donso n’goni en de guimbri. Bothén verbleef in 1971 – 72 in Mali, waar hij de plaatselijke muziek bestudeerde en de donso n’goni leerde bespelen. In 1977 dook hij vervolgens in de Marokkaanse gnawa muszek. Dit voorjaar verschenen twee albums bij Thanatosis waarop hij uitgebreid te horen is. Samen met bassist Kansan Zetterberg en drummer Kjell Nordeson, tevens te horen op vibrafoon, maakte hij ‘L’Invisible’ en als onderdeel van bassist Vilhelm Bromander’s Unfolding Orchestra werkte hij mee aan ‘Jorden vi ärvde’.
‘L’Invisible’ bestaat uit twee delen. Direct aan het begin van het eerste deel horen we Bothén in een verstilde melodie, met bescheiden op de achtergrond Zetterberg en Nordeson, die laatste op vibrafoon. Verstilde klanken, waar Bothén met een opvallend hoge, messcherpe klank doorheen snijdt. Pas wat verderop komt het laag aan bod. En rond de vierde minuut valt de solo van Zetterberg op, al even ingetogen en zorgvuldig pizzicato spel. Mooi ook dat duet van Bothén, diep in het laag en Nordeson iets verderop, uiterst intiem. Tot Bothén zijn basklarinet op scherp zet en ons verrast met een scala aan disruptieve noten. Rond de dertiende minuut zit nog zo’n frase, terwijl het er verder in dit stuk vrij rustig aan toe gaat, al neemt gaandeweg wel de ritmiek toe. Zetterberg laat hem aan het einde van het eerste deel even uitdoven, waarna Bothén hem aan het begin van het tweede deel weer oppakt. Een consequent herhaalt repetitief patroon, terwijl Nordeson hier op boeiende wijze op varieert. En als aansluitend die structuur wegvalt, ontvouwt zich een spannend klanklandschap, tot Bothèn, net als in het eerste deel, weer naar een heldere melodie grijpt. Tegen de negende minuut valt het even stil tot Zetterberg met zijn strijkstok een ongenaakbaar geluid aan zijn contrabas ontfutselt, gevolg door slagwerk van Nordeson. Met Bothéns uithalen iets verderop ontstaat er in de tweede helft van dit deel een geheel andere sfeer.
Dat Unfolding Orchestra is inderdaad een heus orkest met, naast Bromander en Bothén de crème de la crème van de Scandinavische experimentele jazz: violiste Katt Hernandez, Martin Küchen op altsax, Elin Forkelid op tenorsax, Alberto Pinton op baritonsax, fluit en basklarinet, Emil Strandberg op trompet, Mats Äleklint op trombone, Alex Zethson op piano, Mattias Ståhl op vibrafoon en marimba, Stina Hellberg Agback op harp en de drummers Dennis Egberth en Anton Jonsson. ‘Jorden vi ärvde, den skall oss också ärvas’ heet het eerste stuk, wat zoveel betekent als ‘de aarde die we erfden, zal ook ons erven’. Zethson begint met bijna aarzelende noten, langzaam ontvouwt zich de melodie. Even verderop horen we Bromander en Bothén en dan steeds meer blazers en krijgt het stuk meer dynamiek, als een aanzwellende bries. Rond de zesde minuut zitten we op volle sterkte en is het aan Ståhl om gloedvol te soleren, gevolgd door Strandberg. Ingetogen blazerspassages, afgewisseld met al even subtiel slagwerk kenmerkt het begin van ‘Erde’. Dan horen we Bromander met een prachtige partij, geflankeerd door Zethson. Ook nu zwelt, met name door de blazers, verderop de melodie weer aan. Een stemmig, meeslepend stuk. Met ‘For Dewey’ brengt Bromander een ode aan het kwartet van pianist Keith Jarrett met saxofonist Dewey Redman, bassist Charlie Haden en drummer Paul Motian. Forkelind speelt hier, bijna vanzelfsprekend een hoofdrol met een alles verzengende solo, te midden van orkestraal tumult. Het laatste stuk, ‘Calliope’ klinkt weer uiterst ingetogen en valt met name op vanwege het experimentele spel van Bothén, regelmatig in combinatie met Zethson. Een prachtig stuk op een al even indrukwekkend album.
Beide Cd’s zijn te beluisteren via Bandcamp en daar ook te koop:
