Christoph Becher – Die Schönberg Challenge / Berliner Philharmoniker & Kirill Petrenko – Arnold Schönberg (Boek / CD Recensie)

Een challenge aangaan is tegenwoordig, zeker onder jongeren, opvallend populair. Regelmatig niet zonder gevaar, zetten jongeren elkaar, al dan niet via social media, aan tot het verleggen van hun grenzen. De challenge waar Christoph Becher ons voor uitnodigt, in het bij Wolke Verlag verschenen ‘Die Schönberg Challenge’ is zeker niet gevaarlijk, al dachten de nazi’s daar anders over, maar wel uiterst uitdagend: nu eens écht naar dat veelzijdige oeuvre van Arnold Schönberg luisteren, de componist die 15o jaar geleden in Wenen werd geboren. De invloed van deze grensverleggende componist op de hedendaags gecomponeerde muziek kan moeilijk overschat worden, wat niet wegneemt dat de mate waarin zijn muziek wordt gespeeld, in geen geval gelijke tred houdt met die mate van invloed. Ik ging de challenge aan met, naast het boek van Becher, een eveneens vorig jaar verschenen box van de Berliner Philharmoniker, onder leiding van Kirill Petrenko. Een box met vijf werken voor orkest, verspreid over drie Cd’s, alsmede een blue ray disc met daarop de concertvideos,

Wie bij Schönberg direct aan het twaalftoonstechniek, ook wel dodecafonie geheten, denkt heeft een punt, maar vergeet daarbij dan niet dat het wel even duurde voordat hij op dat pad belandde. Becher vangt dan ook aan met een bewerking die Schönberg maakte van het ‘pianokwartet, opus 25’ van Johannes Brahms, waarna in het tweede hoofdstuk één van zijn meest bekende werken, ‘Verklärte Nacht, opus 4’ wordt doorgelicht, het stuk waar de box van de Berliner Philharmoniker mee opent. In dat laatste stuk sluit Schönberg aan bij de muziek van Richard Wagner, met name diens ‘Tristan und Isolde’ klinkt hierin duidelijk door. En waar zijn tijdgenoten vaak of voor Brahms of voor Wagner waren, kon Schönberg ze dus beiden waarderen. Franz Liszt en Richard Strauss introduceerden het symfonisch gedicht, een orkestwerk waar middels klank een verhaal wordt vertelt, Schönberg doet dat met dat ‘Verklärte Nacht’ in 1899 eveneens, maar kiest niet voor een orkest maar voor een strijksextet – in 1916 maakte hij een versie voor strijkorkest die hij in 1943 reviseerde, de versie die de Berliner Philharmoniker speelt. Waar Wagner, nadat hij in ‘Tristan und Isolde’ de tonaliteit danig had opgerekt, op zijn schreden terugkeerde, ging Schönberg door met het tarten van de geldende muzikale wetten. Becher laat ons dit in zijn goed leesbare boek, mits u het Duits een beetje beheerst, prachtig zien. Een speellijst op Spotify, te benaderen via een QR code zorgt ervoor dat we zijn ontwikkeling als componist uitstekend kunnen volgen. De ‘Kammersymphonie nr. 1, opus 9’ uit 1906, gloedvol vertolkt door de strijkers van de Berliner Philharmoniker, markeert de overgang naar de atonaliteit en vanaf dat moment was het gedaan met de aandacht voor zijn muziek. Vandaar ook dat we dat ‘Verklärte Nacht’ nog wel eens horen in de concertzaal, evenals ‘Palleas und Melisande, opus 5’, maar het verder slecht sporadisch tot uitvoeringen komt.

Vreemd genoeg behandelt Becher Schönbergs ’tweede strijkkwartet, opus 10′ niet, al geldt dat als het eerste volledig atonale werk en stapt direct door naar ‘Gedichte aus “Das Buch der hängenden Garten”, opus 15’, waar de componist zijn ideeën nog verder uitwerkt. Het lijkt een hele stap, het omarmen van die atonaliteit, maar hij zat er in wezen al geruime tijd aan te komen. In het onlangs door Routledge opnieuw uitgegeven ‘European Music in the Twentieth Century’, in 1957 verschenen onder redactie van Howard Hartog, maken Walter en Alexander Goehr prachtig duidelijk dat de tonaliteit al veel langer onder druk stond, maar ook wordt hier duidelijk dat de durf om die stao te zetten “than anything else distinguish him from his contemporaries and mark him as a great composer”. Zijn ontwikkeling zo stellen zij “stipulates a dual process: on the one hand, an accumulation of increasingly varied elements, an extension of the means of relating previously unrelated material and consequently, a persistent replacement of comparative regularity and symmetry by asymmetry and irregularity. On the other hand, it stipulates (and this must be particularly emphasized) restriction, reduction, and simplification, seemingly retrogressive habits, and the deliberate neglect or sublimation of traditional elements arising from new aesthetic considerations”.

Schönberg was ook beeldend kunstenaar. Hier een zelfportret uit 1910.

Het nooit afgemaakte oratorium ‘Die Jakobsleiter’, waar Schönberg tussen 1915 en 1922 aan werkte, is het werk dat de Berliner Philharmoniker opnam in zijn box, een stuk dat al helemaal nooit gespeeld wordt, maar ga Bechers challenge aan en je wordt verrast op een prachtige compositie, waarin Schönberg ook voor het eerst speelt met die twaalftoonstechniek, een toonladder van twaalf tonen, die allen even belangrijk zijn en in willekeurige volgorde ingezet kunnen worden. Die ontwikkeling moeten we positioneren aan het begin van de jaren ’20 van de vorige eeuw, culminerend in ‘Variationen für Orchester, opus 31′, gecomponeerd tussen 1926 en 1928, het eerste werk voor orkest in dit toonstelsel. Ik beluisterde het stuk door de Berliner Philhamoniker en begreep wel waarom deze composities vrijwel nooit klinken, het is ook wel heel ingewikkelde muziek. Al betekent dat geenszins ontoegankelijk. Maar eerlijk is eerlijk, als je Bach of Beethoven gewend bent, is het even slikken. Waar die muziek allerlei aanknopingspunten kent, door thema’s die herhaalt worden, pakkende melodieën en een voor ons bekend klinkend toonstelsel, hopt Schönberg van de ene muzikale gedachte naar de andere, je iedere keer in verwarring achterlatend. En de ontwikkeling van al dat muzikale materiaal gaat zó snel dat menigeen al na de eerste paar minuten afhaakt.

In 1933 vlucht Schönberg via Frankrijk naar de Verenigde Staten. Niet alleen moesten de nazi’s, Schönberg woonde op dat moment in Berlijn, niets hebben van zijn muziek, hij was bovenal Joods – al had hij zich tot het protestantisme bekeerd, iets dat hij in Parijs ongedaan maakte. Ook daar componeerde hij stukken in die twaalftoonstechniek, maar greep hij ook regelmatig terug naar de tonaliteit. Twee concerten stammen uit deze periode, Becher kiest voor het ‘pianoconcert, opus 42’, de Berliner Philharmoniker voor het ‘vioolconcert, opus 36, met Patricia Kopatchinskaja als solist. Vergelijk dit vioolconcert met de meer gangbare uit het tonale oeuvre van andere componisten en het wordt je duidelijk hoe zeer deze man zijn tijd vooruit was. Tegelijkertijd zou Schönberg de traditie nooit geheel loslaten, want de stukken uit die jaren mogen dan niet tonaal zijn, qua vormen sloot de componist wel degelijk aan bij de traditie. Pas in de jaren ’50 en ’60 zouden zijn opvolgers als Pierre Boulez – die als dirigent overigens zo ongeveer zijn hele oeuvre voor orkest zou opnemen, Karlheinz Stockhausen, John Cage – die nog bij hem studeerde – en later de spectralisten ook dat volledig loslaten.