Het zou zo maar kunnen dat u, zoals dat met mij tot voor kort ook het geval was, nog nooit van de Surinaamse componiste en pianiste Majoie Hajary heeft gehoord. Het kwam in ieder geval niet omdat ze jong stierf, in tegendeel, de in 1921 geboren Hajary stief in 2017, net 96 jaar oud! Hoe komt het dan dat we deze componiste niet kennen? Haar Surinaamse afkomst zal daar zeker toe hebben bijgedragen, lange tijd was wat uit de koloniën kwam in Nederland nu niet bepaald in trek. Daarnaast was ze ook nog eens een vrouw, waar eveneens lange tijd in een door mannen gedomineerde wereld weinig belangstelling voor was.
Andere redenen zijn is dat Hajary een vrij klein oeuvre achterliet, waarvan ook nog eens een deel niet compleet was – ze werkte weinig gestructureerd en wellicht nog wel belangrijker: dat haar werk lastig in een hokje te plaatsen valt. Haar zeer gemengde afkomst, haar voorvaderen kwamen zowel uit Afrika als uit China en India en ze studeerde in Amsterdam laten in haar werk zijn sporen na. Daarnaast maakte Hajary tijdens de Tweede Wereldoorlog, woonachtig in Nederland, een aantal discutabele keuzes, iets wat haar nog lang is nagedragen. Maar goed, langzaamaan komt er meer waardering voor haar werk, al kan ze daar nu niet meer van genieten. Een belangrijke bijdrage aan die erkenning levert Ellen de Vries met een prachtig uitgevoerd, bij Waanders Uitgevers verschenen boek: ‘Surinaamse Rapsodie: ’t leven van Majoie Hajary in zeven muziekstukken’.
In 1937 vertrekt Hajary naar Amsterdam om daar piano te gaan studeren aan het conservatorium. Ze trok in bij Jan Mulder, een goede vriend van haar ouders en voogd van Hajary die haar in huis nam als zijn pleegdochter. Probleem was alleen dat Mulder grote sympathie toonde voor onze oosterburen en zich al snel tijdens de oorlog ontpopte als een rasechte NSB’er. Hajary die dolgraag na haar studie een carrière als pianiste wilde opbouwen, profiteerde van Mulders contacten en speelde al snel overal waar dat maar kon, tot in Berlijn aan toe! Daarbij profiteerde ze van haar Hindoestaanse achtergrond. Moesten de Duitsers niet veel hebben van zwarten, over Indiërs dachten ze geheel anders. Mede door de behoefte om Groot Brittannië dwars te zitten, steunden ze in India de vrijheidsbeweging en Hajary paste perfect in dat plaatje. Hajary, niet vies van een beetje marketing, iets dat als een rode draad door haar carrière loopt, speelde het spel volop mee en presenteerde zich niet langer als Surinaamse, maar als Indiase prinses. Het legde haar geen windeieren en haar schoonheid werd in de pers breed uitgemeten: men had het over haar “koffiebruine ovale gezicht”, de “typisch Oosterschen loop”, “de bekoorlijke eenvoud” en “dunklen Hände die ‘schlangenartig’ über die weissen Tasten gleiten”. Intussen werd over haar Afrikaanse wortels gezwegen, iets waar Hajary wijselijk zelf ook niet over begon. Ook na de oorlog bleef ze zich presenteren als Hindoe pianist, iets wat eigenlijk nergens op sloeg, haar vader was moslim en haar moeder christelijk, maar Hajary besefte dat talent alleen niet genoeg was om carrière te maken een buitte die kant van haar achtergrond naar hartenlust uit. Ook al is ze dan inmiddels eveneens actief als componist, ze bouwt met name een carrière op als pianiste. In 1951 trouwt ze met Roland Garros, een neef van de man waar Parijs zijn tennistoernooi naar vernoemt heeft. Huwelijk en kinderen zouden haar de komende decennia geluk brengen, maar haar carrière flink in de weg zitten. Iets dat nog verergerd werd doordat de carrière van haar man haar naar naar landen als Madagaskar en Congo-Brazzaville leidde, ver van de muzikale centra.

Pas eind jaren ’60, als haar kinderen inmiddels volwassen zijn, komt haar carrière langzaam weer op stoom en begint ze zich steeds meer te profileren als componist in een opvallend eclectische stijl die elementen van de westerse klassieke traditie bevat, waar Hajary jarenlang als pianiste mee langs de podia had getoerd, naast jazz en oosterse klanken. Dat Hajary die muzikale stijlen zeker niet altijd voldoende beheerst, maakte haar niet echt uit. Veelzeggend zijn de commentaren van Glenn Kallasingh en Raj Mohan bij opnames van één van Hajary’s composities. Beiden vinden het bijzonder was Hajary hier deed, in een tijd dat dit nog helemaal niet gebruikelijk was, maar plaatsen wel kanttekeningen bij de zuiverheid van de instrumenten en de wijze van bespelen. Haar LP’s, ‘New Sound from India’ en ‘Requiem pour Mahatma Gandhi’, beiden uit 1969 en ‘Le Passikon selon Judas’ uit 1970 krijgen in Nederland, ondanks dat Hajary in feite dan nog een landgenote is, ook al woont ze niet meer in Suriname, nagenoeg geen aandacht. Haar eclectische benadering van de muziek zal daar zeker aan bijgedragen hebben. Zo heeft de enige recensie bij het laatste album het over: “simpel klinkende muziek (waarbij veel bekende en onbekende reminiscenties worden opgeroepen) op ’n geheel eigen wijze”, om daar enigszins denigrerend aan toe te voegen: “doorgaans worden we niet getroffen door plaatopnames uit deze streek”. Wat niet wegneemt dat de recensent dit allbum wel ziet als een “goede uitzondering waarvan kennisname wordt aanbevolen”. Maar hoe goed deze albums op zich ook vallen, met name in het buitenland, Hajary kan het niet opnemen tegen iemand als Ravi Shankar die ongeveer tegelijkertijd de Indiase muziek bij westerse musici weet te introduceren. Bovengenoemde stereotypes hebben daar ongetwijfeld een rol in gespeeld, maar het moet ook zeker te maken hebben gehad met iets waar De Bruin verder niet echt op in gaat en dat is de kwaliteit van Hajary’s composities. Want beluister de op YouTube staande opnames van die albums en je moet de geciteerde recensent hierboven wel gelijk geven: het is heel aardige muziek, maar ook niet veel meer dan dat.
Toch doe ik Hajary hiermee ook tekort, ze had duidelijk veel in haar mars maar wist door een veelheid aan oorzaken, die door De Vries in dit prachtige boek uitgebreid met ons worden gedeeld, maar niet de status te bereiken die ze verdiende. Neem het lot van één van haar meest belangrijke composities, haar oratorium ‘Da Pinawieki’ dat tot op de dag van vandaag louter klonk tijdens de première in Suriname in 1974. Het noodlot zorgde er niet alleen voor dat ze er zelf niet bij kon zijn, maar zorgde er ook nog eens voor dat de geluidsopnames deels mislukten. Pogingen om het stuk nog eens uitgevoerd te krijgen, zijn tot op de dag van vandaag gestrand. Dat is niet alleen heel jammer, maar zegt helaas ook heel veel over hoe we in Nederland naar Suriname kijken en hoe de sterke banden nog altijd onvoldoende worden erkend en naar waarde geschat. Het boek van De Vries zal daar geen verandering in brengen, want ook in dit geval zijn de recensies tot nu toe opvallend dun gezaaid, maar een stapje dichter bij erkenning vormt het wel.
