Haruki Murakami – Jazzportretten (Boek Recensie)

Voordat Haruki Murakami een absolute wereldster werd als romancier, zijn boeken zijn in vele talen bestsellers geworden, waaronder in het Nederlands, baatte hij een jazzcafé uit in Tokyo: Peter Cat. De liefde voor jazz, die hij als tiener reeds verwierf, kwam daarin volledig tot uiting. En liefde die hij deelde met de in 2019 overleden beeldend kunstenaar Makoto Wada. Toen die laatste in 1992 een expositie had met portretten van jazz musici en Murakami die tentoonstelling bezocht, ontstond een samenwerking die vijf jaar later leidde tot ‘Jazzportretten, deel 1’ en in 2001 tot ‘Jazzportretten 2’. Onlangs verschenen de beide bundels samen als ‘Jazzportretten’ in het Nederlands bij uitgeverij Atlas Contact. Korte beschouwingen bij even zoveel portretten van Wada, die van Dizzy Gillespie prijkt op de kaft van het boek.

Het zijn vrij korte en over het algemeen vrij persoonlijke impressies die Murakami geeft van de diverse musici, altijd uitmondend in de bespreking van één favoriet album, al is het soms moeilijk kiezen. Soms is dat ook objectief aan te wijzen als (één van) de beste, maar regelmatig heeft het ook te maken met persoonlijke voorkeur. En oh ja, het gaat altijd om LP’s. Murakami is een echte vinylverzamelaar, iets dat veel lezers zal aanspreken.

Haruki Murakami. Foto: Richard Dumas / Agence VU / Redux

Murakami heeft overigens een opvallend conservatieve smaak als het om jazz gaat. Er is dan ook nog maar één musicus in leven van die tientallen die er hier voorbij konen en dat is Herbie Hancock, geboren in 1940. Was het boek een maand eerder besproken dan hadden we Sonny Rollins nog toe kunnen voegen, maar die is ons helaas inmiddels ontvallen. Het merendeel van de musici is echter al decennia dood. Dat komt doordat de jazz bij Murakami zo ongeveer ophoudt bij de postbop. Eric Dolphy en Ornnette Coleman zijn de enige twee die we nog enigszins onder de nieuwe stromingen, te beginnen met free jazz, kunnen scharen. Geen portretten van John Coltrane, Albert Ayler en Cecil Taylor dus, om maar eens een paar namen te noemen. Het blijkt ook sterk uit de keuze voor de albums, die zijn ook bij die musici die zich wel in verdere richting ontwikkelt hebben, zoals Hancock, Coleman en Miles Davis, ook altijd uit de vroege periode. Van Davis komt dus ‘Four and More’ voorbij met opnames uit 1964, overigens een mooi voorbeeld van een heel persoonlijk portret, ‘Four and More’ is immers zeker geen Davis’ klassieker. Wat ook opvalt: Murakami beperkt zich vrijwel volledig tot Amerikaanse jazzmusici, met volgens mij als enige uitzondering gitarist Django Reinhardt. Europa komt verder niet aan bod en ook Japan niet. Dat laatste is eigenlijk wel opvallend gezien Murakami zelf Japans is en daar al sinds decennia uitstekende jazz vandaan komt, maar ja, wel pas na de postbop, iets dat deze omissie wel verklaart.

Leuk zijn die portretten van Wada, die in een wat naïeve stijl van schilderen iedere musicus perfect in de essentie weet te vangen en zo ook echt iets toevoegt aan die humorvolle, mooi geschreven portretten. Want dat blijft de kracht van dit boek. Ook al zegt de muziek van de desbetreffende muziek je niet zo veel, is het niet helemaal je smaak, van  die portretten valt altijd wel te genieten. Door de onverwachte dwarsverbanden die Murakami legt, bijvoorbeeld tussen ‘Light My Fire’ van The Doors rn de muziek van Fats Waller, ik zou er niet opkomen; door de persoonlijke verhalen over die ene LP en waar hij hem kocht tot leuke weetjes die je anders naar het genoemde album doen luisteren. Al met al dus een leuk boek en zeker als je houdt van swing en bebop kun je hier je hart ophalen, waarbij de genoemde albums natuurlijk uitnodigen tot verder luisteren.