Jacqueline Oskamp – Groots is de liefde – Biografie van Louis Andriessen (Boek Recensie)

Tijdens het lezen van Jacqueline Oskamps biografie van Louis Andriessen, het bij Ambo|Anthos verschenen ‘Groots is de liefde’, vroeg ik mij regelmatig af wat nu eigenlijk gemaakt heeft dat juist deze componist is uitgegroeid tot Nederlands meest populaire componist van onze tijd en wellicht wel van de gehele Nederlandse muziekgeschiedenis. Oskamp geeft daar in haar overigens voortreffelijke biografie, waar ze in totaal zo’n zeven jaar aan gewerkt heeft, niet direct een antwoord op, iets wat ook niet de rol is van een biograaf, maar tussen de regels door meen ik toch wel wat aanknopingspunten gevonden te hebben.

Allereerst is er natuurlijk de afkomst van Louis Andriessen. Hij kwam uit een graag geziene, uiterst kunstzinnige familie. Zijn opa, die hij overigens nooit gekend heeft, was de organist Nicolaas Hendrik Andriessen en zijn vader de in zijn tijd zeer bekende componist en directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag Hendrik Andriessen. En dan had hij nog een broer die componist was, de zeker in zijn eerste jaren spraakmakende Jurriaan. Kortom Louis werd met een gouden lepel in zijn mond geboren, voorbestemd om tot grote hoogte te stijgen. Het was bovendien een hecht en liefdevol gezin waarin hij opgroeide en zeker die liefde jegens hem, een nakomertje, was zo lang zijn ouders leefden vrijwel onbeperkt. Heel wat anders dan de achtergrond van goede vriend Peter Schat. die uit een geheel ander milieu kwam en alles zelf moest uitzoeken. Schat zou evenzogoed een belangrijk componist worden, maar in tegenstelling tot Andriessen wordt zijn muziek nu nauwelijks meer gespeeld, iets dat de meeste Nederlandse componisten treft zodra ze zijn overleden.

Louis Andriessen aan het eind van zijn leven. Foto: Francesca Patella.

Andriessen had dus een streepje voor, maar dat is natuurlijk onvoldoende verklarend voor zijn succes. Wat dan wel? Eén verklaring is wellicht te vinden in de persoonlijkheid van Andriessen, waar Oskamp diep op in gaat. Zijn behoefte aan liefde en aandacht, voor een groot deel veroorzaakt door zijn opvoeding – hoe zo, verwend? – zorgt ervoor dat hij altijd mensen om zich heen heeft, gemakkelijk contact legt en een feilloos gevoel heeft voor wat er om hem heen gebeurt. En dus sympathiseert hij eind jaren ’60 met het communisme, zonder zich daar met huid en haar aan over te leveren, maar voelt hij ook heel goed de muzikale stromingen in die tijd aan. Hij gaat studeren bij Luciano Berio en voelt zich vanaf het begin thuis bij de opkomende Amerikaanse minimal music. Vooral dat laatste element is van doorslaggevend belang en hier komt ook zeker een element van toeval in beeld. Evengoed had Andriessen zich bijzonder aangetrokken kunnen voelen tot het serialisme, iets dat voor Schat geldt en dan had hij nooit zo beroemd geworden. Want dat Amerika een allesbepalende rol in dat succes heeft gespeeld, maakt Oskamp mooi duidelijk. Vanaf eind jaren tachtig gaat hij lesgeven aan prestigieuze universiteiten als Yale en Princeton en wordt zijn muziek daar opgepikt, uitstekend passend bij die minimal music.

Die groeiende bekendheid leidt er ook toe dat steeds meer jonge componisten bij Andriessen willen komen studeren, iets wat zijn populariteit alleen maar vergroot. De Engelsman Steve Martland is de eerste van een hele rij, waarvan menigeen Nederland niet meer zou verlaten. De bekendste, Yannis Kyriakides, David Dramm, Richard Ayres, Calliope Tsoupaki en  Jeff Hamburg zouden een grote stempel op de Nederlandse gecomponeerde muziek drukken. Deze biografie van Andriessen geeft dan ook direct een mooi beeld van het muziekleven na de Tweede Wereldoorlog.

Een ander element dat mijns inziens heeft bijgedragen aan Andriessens bekendheid is zijn bijzonder eclectische houding ten opzichte van muziek. Vanaf het allereerste begin heeft hij zich nooit willen beperken tot het standaard idioom van de gecomponeerde muziek. Van jongs af aan speelde hij jazz en ragtime achter de piano, tot grote onvrede van zijn vader die niets moest hebben van jazz en gaandeweg openbaarde zich ook belangstelling voor niet westerse muziek. Die eclectische aanpak zorgde er voor dat de muziek van deze Andriessen telg lange tijd alle kanten op schoot en er nog geen sprake was van een typisch eigen geluid. Dat verandert in 1976 als hij ‘De Staat’ componeert. Het stuk waarmee hij zijn doorbraak maakt en zijn signatuur afgeeft. Het toont ook die andere kant van Andriessen: zijn compromisloze houding. Want wat Andriessen hier op papier zette, was nog nooit vertoond. Lucas Vis die in november van dat jaar de première bezorgde zei niet voor niets: “Achteraf moet je erkennen dat we het eigenlijk niet goed konden spelen”. Een serie stukken met dezelfde insteek volgt: ‘Mausoleum’, ‘De Tijd’, ‘De Snelheid’ en ‘De Stijl’, waarin Andriessen politieke en filosofische ideeën uitwerkt in een aan minimal music verwante klankrijkdom. Het begin van een internationale carrière die zijn weerga niet kent.