Louis Andriessen – De Materie (Concert Recensie)

De Doelen, Rotterdam – 17 januari 2026

Bas Wiegers en de strijkers. Foto’s gemaakt tijdens het NTR Zaterdagmatinee van 10 januari. Jostijn Ligtvoet.

Het Muziek, tot eind vorig jaar beter bekend als het Asko|Schönberg Ensemble ziet het als een opdracht om het werk van de in 2021 overleden componist Louis Andriessen levend te houden. Veel van zijn stukken werden door de twee voorgangers, het Schönberg Ensemble en het Asko Ensemble in première gebracht, vaak samenwerkend daar waar de bezetting hier om vroeg, meestal onder leiding van goede vriend en voorvechter van hedendaagse gecomponeeerde muziek Reinbert de Leeuw. Dat gebeurde ook met ‘De Materie’, dat in première ging in 1989 in een scenische versie in een regie van Robert Wilson. Deze maand namen de musici deze monumentale compostie, na bijna tien jaar afwezigheid, weer eens ter hand. Dat het zo lang heeft geduurd is niet echt verwonderlijk, zeker niet gezien de vrij forse bezetting en de moeilijkheidsgraad. Nu dus door Het Muziek, slagwerkers van HIIIT, studenten van het Conservatorium van Amsterdam en het Koninklijk Conservatorium Den Haag, sopraan Elisabeth Hetherington, tenor Robin Tritschler, stemkunstenares Stephanie Pan en actrice Yela de Koning en dat alles onder leiding van Bas Wiegers.

Het is een prachtig, maar ook een wat apart werk, waar Andriessen nieuwe wegen mee insloeg. Want ondanks dat Andriessen hier veel met teksten werkt, kun je het stuk geen opera noemen, daarvoor is er veel te weinig sprake van een doorlopend verhaal. Het stuk is meer te zien als een muzikale legpuzzel waarin de eclectische smaak van Andriessen in al zijn facetten aan bod komt. Zowel muzikaal als literair grasduint de componist onbeperkt in alle richtingen en alle eeuwen. Dat deze uitvoeringen, vorige week tijdens het NTR Zaterdagmatinee, hier te beluisteren en gisteren in De Doelen, consertant zijn, vormt dan ook eigenlijk geen enkele beperking, een verhaal valt er immers niet te verbeelden. Daarnaast speelt de  muziek hier een alles overheersende rol – zeker in vergelijking met wat we bij opera over het algemeen gewend zijn – iets wat met een scenische aanpak eerder afbreuk doet dan dat het wat toevoegt. Andriessen koos voor vier delen om zijn visie te geven op het begrip materie. En we moeten dat dan zowel zien als filosofisch concept, als in de zin van artistiek en wetenschappelijk idee. Daar zocht Andriessen een viertal personages bij, historische figuren. Dat hadden alle vier personen moeten zijn uit onze Nederlandse geschiedenis, maar dat lukte niet volledig. Voor het eerste deel koos hij de filosoof en vroege natuurkundige Gorlaeus, tegen de achtergrond van de Gouden Eeuw, voor het tweede deel de Middeleeuwse mystica Hadewych, voor het derde de kunstenaar Piet Mondriaan en voor het vierde de Franse natuurkundige Marie Curie – oorspronkelijk had Andriessen de componist Alphons Diepenbrock in gedachten, maar daar kon hij geen geschikte teksten van vinden.

Elisabeth Hetherington

Monumentaal is dat begin van het eerste deel waarin Andriessen middels snoeiharde akkoorden refereert aan eerder werk. Sterk percussief, al komt er in eerste instantie geen slagwerker aan te pas. Geleidelijk voert hij het tempo op tot een indringend ritmisch patroon. Onmogelijk om hierdoor niet volledig meegesleept te worden. Wiegers leidt met strakke hand. Dan horen we het kleine koor met de tekst van het Plakkaat van Verlaetinghe uit 1581, waarin de onafhankelijkheid van Spanje wordt uitgeroepen, een baanbrekende episode in onze geschiedenis. Verderop horen we Gorleaus, een mooie rol van Tritschler, hij komt maar nauwelijks boven het ensemble uit, ook dat is Andriessen: zang is klank en een stem is een instrument, niet meer en niet minder. Dat we er nagenoeg niets van verstaan doet er niet toe. Wat we wel horen zijn de hamerslagen, verwijzend naar de scheepsbouw die ons weelde bracht en de schande van de slavernij, maar in de periode waarin Andriessen ‘De Materie’ componeerde, speelde dit thema nog een veel kleinere rol dan nu het geval is. Het tweede deel, waarin Hadewych centraal staat, vormt mede door de bijdrage van Hetherington een hoogtepunt tijdens deze uitvoering. Muzikaal – en het laat zien wat een genie Andriessen was – creëert hij hier een volledig andere wereld. Na al het geweld krijgen we hier de rust van de contemplatie. Prachtig ingetogen spelende strijkers, met een paar boeiende interrupties van het slagwerk om het spannend te houden en Hetherington die zich met opvallend veel gevoel volledig in de rol van mystica in leeft.

De strakke lijnen van Mondriaans schilderijen en breder die van De Stijl, krijgen bij Andriessen een al even strakke muzikale tegenhanger in het tegenover elkaar plaatsen van klankkleuren. Maar Andriessen doet hier meer, want Mondriaan verkeerde in de jaren ’20 van de vorige eeuw in het mondaine Parijs en hield van jazz en dansen. Die jazz had hij gemeen met Andriessen die op avonden met vrienden eindeloos boogie woogies kon spelen op de piano. Een kant die in dit deel volop aan bod komt, Wiegers staat te swingen op de bok en ook wij in de zaal laten ons meeslepen in deze bonte mengelmoes van stijlen. En wederom gaan we van vrolijke uitbundigheid en sterke ritmiek naar meer ingetogen klanken, met als hoogtepunt in het vierde deel het dagboekfragment van Marie Curie waarin ze stilstaat bij de dood van haar man Pierre, een schitterende monoloog van De Koning. Andriessen onderbreekt het meerdere keren muzikaal, een huivering trekt er door het orkest, je voelt de pijn, de machteloosheid, de verscheurdheid. Nog één keer dan, het is klaar. We kunnen er weer tien jaar tegen.