Opera Ballet Vlaanderen, Antwerpen – 20 september 2026

Voor de start van het nieuwe seizoen koos Opera Ballet Vlaanderen voor een nieuwe enscenering van Louis Andriessens eerste opera, ‘De Materie’. Phia Ménard pakte de handschoen op om van deze opera, die in feite helemaal geen opera is, een prachtige enscenering te creëren. Samen met orkest en koor van de opera, onder leiding van de in hedendaags gecomponeerde muziek gespecialiseerde Bas Wiegers, laat ze zien dat ook als theaterstuk ‘De Materie’ nog niets van zijn kracht heeft ingeboet. Die laatste verzorgde nog in januari van dit jaar, met onder andere Het Muziek, een concertante uitvoering in De Doelen in Rotterdam. De tweede keer dat ik dit stuk live meemaakte, na een uitvoering in 2017, toen nog onder leiding van de inmiddels overleden Reinbert de Leeuw. Een geënsceneerde versie is echter een geheel ander verhaal. Na de première in 1989 in Amsterdam volgde een serie uitvoeringen in 2014 tijdens de Ruhrtriennale en dat was het.
Echt vreemd is dat niet want zoals gezegd: ‘De Materie’ mist zo ongeveer alle kenmerken van een opera. Er is geen verhaallijn, geen spanningsboog en er wordt weliswaar gezongen, maar er zijn ook vrij lange muzikale delen waar je als regisseur oplossingen voor moet vinden. In mijn verslag naar aanleiding van de concertante uitvoering in januari van dit jaar ging ik reeds uitgebreid in op de inhoud. Nu dus alle ruimte om te zien hoe Ménard dit toch vrij lastige stuk heeft geënsceneerd. Het begin van ‘De Materie’ is monumentaal: harde klappen in een steeds verder oplopend tempo. Ménard kiest voor een leeg podium. Dan volgt het eerste deel, met drie teksten: de zogenoemde Acte van Verlatinghe, waarin Nederland zich in 1581 losmaakt van Spanje, een stuk over scheepsbouw en een verhandeling van de filosoof Gorlaeus over het begrip materie, die laatste wordt gezongen door Robert Tritschler, de overige twee door het koor. Hier doet zich direct een eerste moeilijkheid voor, die teksten gaan echt nergens over en dienen meer als klankspel dan als een verhaal. Wat moet je hier als regisseur mee? Een vondst is het werken met vloerplanken, die in dit deel geleidelijk een scheepsromp vormen en in het tweede deel een kapel. Dansers zijn drukdoende om die platen iedere keer in de juiste stand te krijgen. Tussendoor oefenen ze hun echte vakt uit: dansen. Een tweede verstandige beslissing: maak van ‘De Materie’ een hedendaags ballet. Zeker het derde deel ‘De Stijl’ leent zich daar bijzonder goed voor.

Maar ook het tweede deel waarin de visioenen van Hadewych centraal staan, een personage bijzonder goed vertolkt door Katrien Baerts. Die gelukkig ook goed raad weet met het oud Nederlands, dat gaat bij Tritschler minder goed, zijn Engelse accent tovert soms een glimlach op de lippen – dat zal menige Fransman hebben bij een Franse opera, iets wat mij dan weer ontgaat. Qua dramatische spanningsboog is dit nog het meest gemakkelijke deel, zeker als je een sopraan hebt als Baerts die zich goed kan inleven in haar rol. Die visioenen van Hadewych, al mag zij die intentie niet hebben gehad, hebben ontegenzeggelijk ook iets erotisch, een gegeven dat Ménard mooi weergeeft door de dansers en danseressen door elkaar heen te laten krioelen aan de voet van het altaar. Tot ze één voor één letterlijk in de bodem van het podium verdwijnen. Dit deel is muzikaal zonder meer het hoogtepunt van deze opera, Andriessen toont zich hier een waar muzikaal stylist en blijkt gelukkig dus ook bij Ménard in uitstekende handen. Nog beter vind ik echter haar vormgeving van het derde deel ‘De Stijl’, waarin die kunststroming en Piet Mondriaan centraal staan en waarin Andriessen zijn levenslange fascinatie met boogiewoogie en jazz een plaats gaf. Swingende klanken waar je uitstekend op kunt dansen, zo blijkt hier. Vier koorleden, in lange zwarte jassen en met zonnebrillen op zingen de tekst, dansers en danseressen schieten, in dezelfde kledij gehuld, van de ene naar de andere kant, de opzwepende muziek nog verder inkleurend.

Het kan niet anders of dat laatste deel heeft Ménard de nodige hoofdbrekens gekost. Dit is immers verreweg het lastigste deel om goed neer te zetten. Het opvallend lange, maar overigens prachtige muzikale intro voordat die twee gedichten van Kloos klinken vormt een ware uitdaging. Geheel geslaagd vind ik het niet. Een grote cirkel daalt neer en wordt uiteindelijk een draaimolen. We zien een vrouw te midden van de dansers en danseressen wankel op haar benen, dat blijkt uiteindelijk Marie Curie te zijn en wat eruit ziet als dronkenschap is natuurlijk het verdriet om haar overleden man Pierre. Maar ja, hoe het dan anders gemoeten had, beter, geen idee. Andriessen maakt het een regisseur hier niet bepaald gemakkelijk. Hartverscheurend is tenslotte die monoloog, Lies Pauwels op haar best, blijf daar maar eens onberoerd onder. Al met al een zeer geslaagde enscenering en een mooie, eigenzinnige interpretatie van deze hedendaagse klassieker. Hulde dus voor Opera Ballet Vlaanderen.
