Eén van de componisten die in 2018 voor de Gaudeamus Award streed was de Duitse componist Matthias Krüger. Hij won hem niet, dat was Sebastian Hilli, maar viel ook mij op vanwege zijn boeiende stukken. Onlangs verscheen bij Wergo, het label van het Duitse Schott Musik, de Cd ‘Rosebud’ met louter werk van deze boeiende componist, een mooie gelegenheid om uitgebreider kennis te maken met Krüger die, zoals het boekje bij de Cd stelt, zichzelf ziet als iemand die “einfag Musik macht”. Te bescheiden, want met de hier verzameld, de stukken toont hij waar vakmanschap als componist. Eén overigens die zich beweegt op het grensvlak van hedendaags gecomponeerd en experimentele elektronica.
Opener ‘contemp[s]lations’, uit 2010 en daarmee direct het oudste stuk op dit album, is daar direct een mooi voorbeeld van. Het stuk voor kerkorgel, hier bespeeld door Tobias Hagedorn, is een langgerekt drone-achtig klanklandschap, dat zich halverwege na een zeer zacht begin onvermijdelijk naar een oorverdovende climax beweegt. En dan stopt de muziek totaal onverwachts, terwijl we pas halverwege het stuk zijn, om via de stilte weer aan te vangen met even intieme klanken als waar het allemaal mee begon, alleen nu in een hoger register. Een opvallend intieme klankwereld ontvouwt Krüger hier, als in een donker bos, vol onbekende geluiden. Ook nu blijft het echter geenszins rustig, donkere wolken pakken zich samen tot een tweede keer de spanning tot grote hoogte oploopt. Eindigen doen we echter weer rustig, met een lange lijn in het hoge register. ‘renk’ schreef hij vijf jaar later voor een beperkt geprepareerde piano. Een opvallend experimenteel stuk waar tegelijkertijd wel degelijk iets van een melodie doorheen schemert. Maar wellicht is het meest bijzondere hier nog wel die combinatie van uiterst percussief spel met ‘normaal’ pianospel, een boeiend, maar ook wat bevreemdend stuk, maar fantastisch uitgevoerd door Claudia Chan.

Iets soortgelijks doet hij in het voor saxofonist Xavier Larsson Poez geschreven ‘fuckin’ al’ voor altsaxofoon. De saxofonist blaast hier zijn noten, maar onderbreekt zichzelf regelmatig om verbale kreten uit te stoten en dat alles in een vrij strak ritmisch patroon. Wat er sterk mee contrasteert zijn frases waarin Krüger de noten juist lang uitrekt tot boeiende klankgolven. Na drie solostukken volgen twee stukken voor duo. ‘nun schauervoll einmalig blickt es mich an’ is voor altviool en accordeon, het titelstuk ‘rosebud’ is voor danser en elektronica. Altvioliste Sofia von Atzingen en accordeonist Nejc Grm geven vorm aan het eerste al even ritmische, uit drie delen bestaande stuk, waarbij met name de sterke integratie van de twee instrumenten opvalt. Een grote mate van virtuositeit is hier nodig, rechtdoend aan het opzwepende karakter van het stuk. Krüger schreef dit stuk niet voor een danser, maar dat zegt niets over de mogelijkheden die het daar wel voor biedt, blijf bij het eerste deel van dit bijna twintig minuten durende stuk maar eens rustig zitten. Het tweede deel kent eenzelfde structuur, maar dan in een lager tempo. Hier valt het stroeve karakter van de muziek op, naast de opvallend rustige overgang naar het derde deel. Een sterk repetitief deel, let op die bijna manische strijkbewegingen tegen het einde van Von Atzingen, wat de danser weer alle ruimte biedt zijn expressie te uiten. Victor Vinot is de danser in ‘rosebud’, zien doen we hem niet, horen we hem wel? Ik weet het niet. De wat unheimisch aandoende elektronica van Krüger zelf maakt het lastig om het onderscheid te maken. Het is een ritmisch stuk, maar dan wel in een vrij laag tempo. Een stuk dat ik niet in eerste instantie associeer met een ballet, eerder met experimentele elektronica, maar boeiend klinkt het zondermeer.
