Muziekgebouw aan ’t IJ , Amsterdam – 18 en 19 april 2026

Liever dan de term ‘minimal music’ gebruik ik de term minimalisme, mijns inziens dekt dat beter de lading van het Minimal Music Festival. Vrijdag en zaterdag was daarin ook aandacht voor vrouwelijk componisten, die lange tijd niet de aandacht kregen die ze verdienen. Denk aan Meredith Monk, Pauline Oliveros, Éliane Radigue die aan de ontwikkeling van deze stroming zonder meer hebben bijgedragen. Zowel de muziek van Oliveros als van Radigue was dezer dagen te horen en de gespeelde stukken maakten onomstotelijk duidelijk hoe belangrijk hun rol was. Verder ook zaterdag aandacht voor de niet westerse muziek, in de persoon van de Iraniër Mohammad Reza Mortazavi en op zondag voor de meer experimentele variant van het minimalisme: het slotconcert door The Necks.
Het Amsterdamse, in experimentele muziek gespecialseerde ensemble MAZE speelde van Oliveros het bijna anderhalf uur durende ‘Primordial / Lift’ uit 1999. volgens de tekst bij het concert is het stuk “opgebouwd rond een ‘low frequency oscillator’ (LFO), een elektronische toongenerator die een lage frequentie voortbrengt. Die LFO staat voor bepaalde extreem lage geluidsgolven die helemaal om de aarde gaan, de zogenaamde Schumann resonanties”. Oliveros gebruikte dit als uitgangspunt voor een ingenieus klankspel. Het begint en eindigt bijzonder ingetogen, maar daar tussenin koos de componiste ervoor om de dynamiek zeer geleidelijk te laten oplopen. Op het hoogtepunt bevinden we ons in een immense draaikolk van geluid, samengebalde energie die je de adem beneemt. De in februari van dit jaar overleden Radigue was aanvankelijk vooral bekend vanwege haar elektronische composities, tot ze enige jaren geleden overstapte op het schrijven voor akoestische instrumenten, vaak specifiek toegespitst op een bepaald ensemble. Zo schreef ze, samen met Carol Robinson, speciaal voor het Haagse Ensemble Klang in 2021 ‘OCCAM HEXA V’, en in 2025 ‘OCCAM DELTA XXIII’ die tijdens dit festival beiden meerdere keren werden uitgevoerd. ‘OCCAM HEXA V’, voor baritonsax, trombone en slagwerk, is van de twee stukken het meest eenduidig en bestaat nagenoeg uit drones van de beide blazers, aangevuld met die van een klankschaal en zo nu en dan van het geluid dat je krijgt als je met een strijkstok langs metaal strijkt. Pas naar het einde neemt de dynamiek op en valt het gebruik van de grote gong op, een vrij duistere passage. ‘OCCAM DELTA XXIII’ is complexer van structuur, hier vallen de meer gevarieerde lange lijnen op van altsax, tenorsax en trombone, prachtig hoe die elkaar kruisen, of juist samenvallen. Slagwerk en piano worden meestal vrij onorthodox bespeeld, zo begint het stuk met het wrijven met een doek over de pianosnaren, maar gaandeweg wordt er ook op trommels geroffeld en worden de pianotoetsen aangeslagen, al gebeurt ook dat allemaal uiterst subtiel.

Mortazavi kiest ervoor om de programmeur van het festival een korte tekst voor te laten lezen waarin hij stilstaat bij wat er op dit moment allemaal in zijn land gaande is. De protesten van enige maanden geleden komen aan bod, maar natuurlijk ook de oorlog waar het land op dit moment in verzeild is geraakt. Hij vraagt om een minuut stilte voorafgaand aan het concert. Aansluitend horen we een fragment van zijn nieuwe album ‘Nexus’, waar zo te horen stemopnames van de protesten in verwerkt zijn, waarschijnlijk de reden dat hij het hier laat horen. In het concert dat volgt gebruikt hij namelijk louter de tombak, een vaastrommel en de daf, die wat lijkt op een grote tamboerijn, maar dan zonder belletjes. Versterkt door magnifieke microfoons creëert hij daar een ongelofelijk geluid mee, of er een heel ensemble op het podium staat. Zeer complexe, polyritmische structuren die weer eens laten horen dat we in het westen veel vaker toe-eigenen dan uitvinden. De tweede helft van de double bill, het concert van Bendik Giske en Sam Barker, kan dan na zoveel virtuoos vertoon alleen maar tegenvallen. En dat doet het ook. iets wat ik met name wijt aan de bijdrage van Barker. Ik zag Giske in 2022 solo op Rewire en vergeleek hem toen nog met Colin Stetson. Deed dat toen nog wel recht aan Stetson, nu zou dat niet langer het geval zijn. Wat ik hier in het Muziekgebouw aan ’t IJ mis is de dreigende spanning, alles is strak gestreken en van een gladde ritmiek voorzien. Na drie stukken weet je het dan wel.
En dan sluiten The Necks op zondagavond het festival af, één lange set voor de pauze, een kortere daarna. In aanloop naar dit festival stond ik reeds uitgebreid stil bij hun laatste album, de driedubbelaar ‘Disquiet’, dus veel ga ik hier over dit trio niet zeggen. Te meer hoe briljant ook, de formule nooit echt wijzigt. Zo begint Chris Abrahams de eerste set solo, maar wel met een patroon waarvan je al snel het repetitieve karakter gewaar wordt. Lloyd Swanson sluit aan op bas, het patroon verder vormgevend, tot tenslotte ook Tony Buck aantreedt en dan neemt het heel geleidelijk in dynamiek toe, tot een oorverdovende maalstroom aan klanken. En ja, dat is dan wel weer het verschil met een Cd, live komt dat allemaal wel veel beter tot zijn recht.
