Philip Freeman – In the Brewing Luminous: The Life & Music of Cecil Taylor / Cecil Taylor & Tony Oxley – Flashing Spirits (Boek/CD Recensie)

De invloed van pianist en componist Cecil Taylor op de hedendaagse jazz kan moeilijk overschat worden. In zijn prachtige, bij Wolke Verlag verschenen, biografie ‘In the Brewing Luminous: The Life & Music of Cecil Taylor’ laat Philip Freeman ons daar weer eens nadrukkelijk bij stil staan. Die wijdverbreide erkenning was er zeker niet vanaf het allereerste begin: zo gaat dat met de voorlopers in de kunst. Zo schreef Zita Carno in 1958 in reactie op het enige album dat Taylor met John Coltrane maakte, ‘Hard Driving Jazz’ : “There is only one thing wrong with this recording, but it is a major factor – Cecil Taylor’s accompanying. He is an over-busy comper who interferes with the soloist”, lees Coltrane. Het zegt alles over de stijl van deze pianist die zich vanaf zijn eerste album, het twee jaar daarvoor verschenen ‘Jazz Advance’ nooit inhield en volstrekt zijn eigen weg ging. Tevens in dit verslag aandacht voor het onlangs bij Burning Ambulance verschenen ‘Flashing Spirits’, waarop we Taylor horen met drummer Tony Oxley. Tijdens de opnames in september 1988 kende hij hem pas een paar maanden, maar tot aan zijn dood in 2018 zou hij met niemand zo vaak spelen als juist met deze drummer.

Opvallend aan de muziek van Taylor was dat hij vanaf het allereerste begin, dat hierboven genoemde ‘Jazz Advance’ wist wat hij wilde laten horen en dat hij daar tot aan het einde van zijn lange leven aan zou vasthouden. Niet dat zijn muziek niet evalueerde, dat deed het zeker, zoals Freeman ook mooi laat zien, maar in de kern is alles al aanwezig in dat eerste album. Zo is een belangrijk onderdeel van zijn muziek altijd improvisatie geweest, ook van zijn gecomponeerde stukken voor groot ensemble maakte dat altijd een integraal onderdeel uit. Voor Taylor was dat niet meer dan normaal. In een interview uit 1959: “It’s one…how can you compose without improvising? You didn’t ask me what kinds of improvisation there might be, or what are the aesthetics that might seperate my kind of improvisation or composition from someone else’s, but it seems to me that basicaly improvisation is composition, in other words, a complete musical thought.” En daarin ging hij zijn eigen weg, zich volledig bewust van zijn (muzikale) wortels. In ‘Les Grandes Répétitions’, een serie documentaires van Gérard Patris en Luc Ferrari, waarvan de opnames werden gemaakt in 1966 zit een mooie scène waarin de interviewer Taylor vraagt wat hij vindt van de muziek van John Cage, Johann Sebastian Bach en Karlheinz Stockhausen. Taylor antwoordt iedere keer met de zin “He isn’t from my community”. Hij voelt zich meer verwant met stride pianisten als Thomas “Fats” Waller en James P. Johnson en een componist als Duke Ellington, musici waarvan je de invloed duidelijk terughoort in zijn muziek. En in 1970 merkte hij op tegen Valerie Wilmer: “There are two cats, two pianists, that they never talk about in relation to myself which is unfortunate, the two being Bud Powell and Horace Silver. I listened to them a lot because, in a way, Monk was the most difficult to get to, to hear and to listen what he was doing.”

Taylor zag zijn muziek niet als minder dan de westerse kunstmuziek, maar als een andere vorm van dezelfde taal. En voelde hij zich aanvankelijk nog een jazz musicus, al dacht zijn omgeving daar vaak anders over, ook dat liet hij in deze eeuw los. Wat bleef was die eigenzinnige kijk op muziek. In de hierboven genoemde documentaire zegt hij ook: “The problem with written music is that it devides the energies of creativity. In other words, while my mind may be devided looking at a note, my mind is instead involved with hearing that note, playing that note, combining the action – making one thing of an action. Hearing is playing. Music doesn’t exist on paper.” En hij zou nog verder gaan door gedichten te reciteren tijdens zijn concerten en door, vanaf 1975, dans te integreren in zijn concerten, dat laatste onder andere geïnspireerd door de diverse Afrikaanse culturen.

Opereerde Taylor de eerste jaren noodgedwongen in de marge, zijn vooruitziende blik en compromisloze houding werd, zoals we reeds zagen, niet door iedereeen gewaardeerd, gaandeweg kreeg hij meer populariteit en zoals dat vaker ging met Amerikaanse zwarte musici: meer in Europa dan in de VS. Met name Berlijn ontving hem jarenlang met open armen. Met als absoluut hoogtepunt zijn verblijf in die stad in 1988, resulterend in een serie optredens die nog altijd een hoogtepunt vormen in de geschiedenis van de experimentele jazz. De door FMP uitgebrachte box ‘In Berlin ’88’ geldt dan ook niet voor niets al jaren als een veelgezocht collector’s item. Dat ‘In the Brewing Luminous: The Life & Music of Cecil Taylor’ ook nog een essay van Markus Müller bevat over die serie optredens is dan ook niet meer dan terecht. Feeman laat al die hoogtepunten en nog veel meer passeren in dit boeiende boek, waarin de nadruk vooral op de muziek ligt, geen album of optreden blijft onbesproken. Taylors privéleven komt eveneens aan bod, maar steekt wel wat karig af bij zijn muziek. Heel veel krijgen we daar niet van mee. Beschouw het boek daarom vooral als een luistergids bij al die wonderlijke muziek die deze onsterfelijke pianist maakte.

Het was daar in Berlijn dat Taylor Oxley voor het eerst ontmoette, op de laatste avond van zijn residentie, op 17 juli. Beluister ‘Leaf Palm Hand’ en het lijkt of ze al jaren met elkaar samenspelen. We wisten al dat zowel Taylor als bassist William Parker, waar Taylor in die jaren veel mee samenspeelde, nog een aantal maanden in Europa bleven en dat ze samen met Oxley een nieuw trio vormden: The Feel Trio. En we wisten ook dat Taylor en Oxley in die maanden na dat eerste optreden een aantal concerten samen gaven, maar opnames daarvan waren tot voor kort niet bekend, tot Burning Ambulance halverwege vorig jaar met ‘Flashing Spirits’ op de proppen kwam, waarvan de opnames werden gemaakt tijdens het Outside In Festival in het Engelse Crawley op 3 september van dat jaar. Het is Taylor die begint in het titelstuk ‘Flashing Spirits’, geleidelijk een stugge ritmiek opbouwend, ondersteund door Oxley. Terwijl Taylor met zijn linkerhand de ritmiek blijft voeden – opgestuuwd door Oxley, tovert hij verderop met rechts prachtig miniatuurtjes. En dan slipt de muziek dicht, een maalstroom aan klanken waarin de twee samen hun weg vinden. Prachtig hoe Taylor hier abstracties afwisselt met melodisch materiaal tot één onlosmakelijk geheel. Rond de dertigste minuut gaat het tempo wat naar beneden, een intiem spannende dialoog tussen de beide musici is wat volgt, al is het tjdelijk. Twee ‘Encores’ volgen tijdens dit optreden. Ronduit onstuimig klinkt de eerste van ruim vier minuten, mooi puntig de tweede, die overigens maar een minuut duurt. In een interview met Ben Watson, verschenen in The Wire 186, 1999 zegt Oxley over de samenwerking met Taylor: “I never felt that playing time behind Cecil would be appropriate. If you are not sure about the rhytmical conception or pssibilities or freedom of his playing, you’re going to find it very tough. You can’t find your way purely on a level of intuition. You have to know enough so that Cecil doesn’t have to point out anything to you, or you wouldn’t be up there. Either he wouldn’t let you or you wouldn’t have the nerve to do it, You have to have a little understanding  of his music.

‘Flashing Spirits’ is te beluisteren en te koop via Bandcamp:be up thee.

to