Chassé Theater, Breda – 26 juni 2026

Een zomers programma als afsluiter van het seizoen en een zomer was het gisterenavond, met code rood in zuid Nederland vanwege extreme hitte. Gelukkig werkte de airconditioning in het Chassé Theater en mochten de orkestleden van Philzuid hun jasjes thuis laten. Chef-dirigent Duncan Ward vond dat dit niet voor hem gold, een overtuiging die ook de Franse pianist Alexandre Tharaud was toegedaan, die samen met cellist Jean-Guihen-Queyras de Nederlandse première verzorgde van ‘Sinfonia Concertante voor cello, piano en orkest’ van Oscar Strasnoy, het hoogtepunt van de avond. En het was zonder meer een swingende seizoensafsluiter, de warmte verhinderde dirigent en orkest geenszins bij spetterend enthousiast spel. De ‘Les Biches Suite’ van Francis Poulenc en de versie uit 1947 van ‘Petroesjka’ van Igor Stravinsky boden daar dan ook alle gelegenheid toe.
Die swing horen we hier in de vorm van dans. Zowel Poulenc als Stravinsky schreven een eeuw geleden muziek voor het meest beroemde experimentele dansgezelschap in die tijd: het in Parijs gevestigde Les Ballets Russes van Sergej Diaghilev. Stravinsky componeerde in de winter van 1910-11 de muziek voor ‘Petroesjka’ en Poulenc schreef in 1923 de muziek voor ‘Les Biches’. Beide componisten reviseerde hun stukken enkele decennia later om ze geschikt te maken als onderdeel van een concert: Stravinsky in 1947, Poulenc een jaar later. Met dat laatste stuk trapte Philzuid gisterenavond af. Onbekommerde, feestelijke klanken in vijf delen, te beginnen met het ‘Rondeau’ waarin de sfeer hangt van een ballroom uit de jaren ’20 van de vorige eeuw. Het is het koper dat hier het meest opvalt. Wat volgt is een aangenaam verglijdend ‘Adagietto’, met een prachtige bijdrage van de fluiten en de hobo’s. Verderop versnelt het, iets dat zich doorzet in de dynamische ‘Rag-Mazurka’. Felle en opwindende klanken, strak gedirigeerd door een swingende Ward. En mooi dat wat duistere einde van de fagotten en het zware koper. Als een langzame dans klinkt het ‘Andantino’, we mogen ons mee laten voeren op dromerige, lichtvoetige klanken om aansluitend in de ‘Finale’ wakker te schrikken van heftige dynamiek, een typische finale. ‘Petroesjka’ klinkt na de pauze. Voor hetzelfde gezelschap geschreven, maar daar houdt de overeenkomst dan ook wel op. Want de muziek van Poulenc is prachtig, maar was zelfs in zijn tijd zeker niet vernieuwend – althans dit stuk – iets wat zeker wel gold voor Stravinsky’s compositie. En dat hoor je er nog steeds aan af. Hij was een meester in het neerzetten van sfeer, iets dat je al direct merkt in de wijze waarop ‘De Shrovetide Fair’, de jaarmarkt klinkt. Je waant je echt op die markt. Een ontstellende dynamiek, krachtig maar kraakhelder gedirigeerd door Ward, vol verwachtingen en onderhuidse, zinderende spanning. Het is een drukte van belang, er gebeurt van alles en houdt vooral je beurs in de gaten! We horen de invloed van de volksmuziek uitgebreid terug, iets waar Stravinsky in die jaren uitgebreid mee experimenteerde, in een veelheid aan dansen en melodieën. Een stapeling van invloeden. Pas in ‘Petroesjka’s kamer’ komen we wat tot rust, waarin Stravinsky opwinding, melancholie, spanning en verwachting in elkaar laat overlopen middels prachtige instrumentcombinaties. Terug op de jaarmarkt belanden we weer in de hectiek, nu is het echter avond. Weer klinken al die exotische dansen, die vrolijkheid. Tot de ontknoping van het verhaal volgt en de spanning tot ontlading komt.

Tussen deze twee stukken zit de ‘Sinfonia Concertante voor cello, piano en orkest’ van Strasnoy. Een Frans-Argentijnse componist die zich in deze compositie laat inspireren door een andere dans: de tango. Maar we zijn inmiddels een eeuw verder en de hedendaags gecomponeerde muziek heeft zich ontwikkeld. En dat hoor je in iedere noot van dit prachtige stuk terug. De invloed van Arnold Schönberg, Pierre Boulez en Gérard Grisey – bij die laatste studeerde Strasnoy – dringt zich hier onvermijdelijk op. Het verzoek voor dit concert kwam van Tharaud en Queyras. die al een kwart eeuw met elkaar samenwerken. Via Mozart kwam Strasnoy op de vorm van een Sinfonia Concertante waarin de verhouding tussen solisten en orkest wat anders ligt dan een concert. Alleen al die twee zee korte, maar opvallend heftige bijdrages van de trompetten aan het begin van ‘Invocazione’ maken duidelijk dat we iets heel bijzonders krijgen, iets dat in alles afwijkt van de muziek van Poulenc. De cello en piano maken zich langzaam los uit een ondefinieerbare klanknevel. Gaandeweg worden we de invloed van de tango gewaar. In ‘Levitazione’ overheerst een onderhuidse spanning, de muziek zweeft, probeer er geen grip op te krijgen, dat lukt niet. De cello klinkt weemoedig, maar een weemoed die vanzelf weer oplost in de ruimte. Dan klinkt het ‘Scherzo’ en krijgen we weer grond onder onze voeten. Ruim baan hier voor de twee solisten in prachtig samenspel maar ook voor de percussie die ze krachtig aanvuurt. Met ‘Fontana’ brengt Strasnoy een ode aan de beeldend kunstenaar Lucio Fontana die beroemd werd door de messneden die hij in zijn doek maakte. In dit stuk wordt dit verklankt door de gloeiende glissandi die dit deel kenmerken. In het laatste deel, eveneens ‘Finale’ geheten brengt de componist de diverse elementen van dit stuk samen in een aantal boeiende variaties en combinaties. Hij voert ons geleidelijk naar een climax, schotelt ons nog eenmaal een boeiend treffen voor tussen cello en piano en laat ons dan aansluitend nog één keer sidderen.
