Savina Yannatou Primavera en Salonico and Lamia Bedioui – Watersong / Sokratis Sinopoulos & Yann Keerim – Topos (CD Recensie)

Van oudsher komt op ECM Records ook andere muziek aan bod dan wat we ‘jazz’ of ‘klassiek’ noemen, wat dat ook moge betekenen. Muziek die we vaak scharen onder de al even dubieuze noemer ‘wereldmuziek’, of die andere stijlen niet tot de wereld zouden behoren. Maar goed, daar hoort dan iemand als Anouar Brahem bij, die hier onlangs nog voorbij kwamen, of de twee albums die vandaag aan bod komen, van Griekse musici. Vocaliste Savina Yannatou is op ‘Watersong’ te horen met haar sextet Primavera en Salonico en als gast de Tunesische vocaliste Lamia Bedioui en Sokratis Sinopoulos, bespeler van de in onze contreien onbekende lyra maakte met pianist Yann Keerim ‘Topos’. Overigens uitstekende muziek om het nieuwe jaar mee te openen.

Yannatou mag dan Grieks zijn, de stukken die ze op dit album verzameld heeft, allen gearrangeerde door Kostas Vomvolas, komen echt overal vandaan, al ligt het zwaartepunt in het ruime gebied rond de Middellandse zee. Volksmuziek vermengd met wat goed onder de ‘jazz’ te scharen valt en met invloeden van de ‘klassieke muziek’, samengesmeed tot een boeiend eclectisch geheel. Dat zit voor een belangrijk deel al in het instrumentarium. Binnen Primavera en Salonico vinden we Kostas Vomvolos op qanûn, een soort cimbalom en op accordeon, Harris Lambrakis op de ney en Yannis Alexandris op oud. Op de accordeon na instrumenten die in West Europa niet voorkomen. Dat geldt weliswaar niet voor de viool, bespeeld door Kyriakos Gouventas, de contrabas, Michalis Siganidis en de percussie, Dine Doneff, maar daar worden dan weer geheel andere klanken aan ontleend dan wij gewend zijn. Iets dat ook geldt voor de vocale kunsten van de beide zangeressen. Gelukkig bevat het boekje de teksten van de liederen, te beginnen met het innemende traditionele Griekse liefdesliedje ‘The song of Klidonas’. Het tweeluik ‘Naamas Algenina’, een traditioneel Egyptisch lied en ‘Ivana’, afkomstig uit Noord-Macedonië zijn eveneens beide liefdesliederen, waarbij in het tweede deel met name het speelse Sprechgesang van de twee vocalisten opvalt. Een hoogtepunt is zonder meer het uit Cypres afkomstige ‘Al Giorkis’, vanwege de stuwende muziek, vol zeker voor ons onverwachte klanken en de aantrekkelijke zang van Yannatou. het Spaanse, uit de zestiende eeuw stammende ‘A los baños del amor’ klinkt dan weer ronduit klassiek en laat goed horen wat een prachtige stem deze zangeres heeft. Prachtig klinkt hier overigens ook die solo op de oud. Opvallend vrolijk gaat het er aan toe in het Zuid Italiaanse ‘Sia maledetta l’acqua’, waar we overigens ook Bedioui weer eens horen en de ney een grote bijdrage levert. ‘Mawal’, gebaseerd op een gedicht van de tiende-eeuwse Iraakse dichter Abu Firas al-Hamdani, bevat een vrijwel gesproken bijdrage, begeleid door percussie, eveneens heel bijzonder. Een tweede hoogtepunt is het Griekse ‘Kalants of the Theophany’, tevens het meest experimentele stuk op dit album. Naast het Middellandse zeegebied komt ook de muziek van Engeland, Ierland en zelfs van de VS aan bod. We horen ‘Full Fathom Five’ van de zeventiende-eeuwse componist Robert Johnson, het traditioneel Ierse ‘An Ròn’ en de spiritual ‘Wade in the Water’, die laatste in combinatie met het Egypte afkomstige ‘Allah Musau’. De boodschap van Yannatou is duidelijk: binnen de muziek bestaan geen grenzen, nog tussen landen, nog tussen stijlen.

De lyra of lier is bij ons eveneens een onbekend instrument. Het instrument kent meerdere vormen, waaronder de bekende die geldt als de voorloper van de harp. Maar het instrument dat Sinopoulos bespeelt, ook wel Kretenzische lier genoemd, heeft qua vorm wel wat weg van een kleine viool, maar wordt staand op schoot bespeeld. Het bezit drie snaren en heeft, zo leert ‘Topos’ ons, een vrij hoge klank. Direct in de vrij ingetogen opener ‘Vlachia’ horen we hem in de volle schoonheid. Sinopoulos speelt hier vrijwel solo slechts met enkele noten begeleid door Keerim. ‘Valley’ kent wat meer dynamiek, met name het stuwende spel van Keerim valt hier op. Een deel van de stukken op dit album baseerde het duo op de ‘Roemeense volksdansen’ van Béla Bartók. Dat hoor je goed terug in ‘In One Spot’ waar duidelijk een dans aan ten grondslag ligt. In ‘Sash Dance’, met prachtig vederlicht pianospel is dat minder duidelijk, hierop dansen lijkt me een uitdaging. De lier is weer bijzonder goed te horen in het vrijwel solo gespeelde ‘Dance from Bucsum’. Duidelijk een zeer langzame dans. En dan die ‘Romanian Polka’, je kunt met zo’n lier dus ook prima ritmisch spelen, stil zitten is hier bijna onmogelijk. Na deze serie Bartók bewerkingen volgen weer twee eigen stukken: de ingetogen en ietwat melancholieke composities ‘Mountain Path’ en ‘Forest Glade’. Afsluiten doen we dan weer met Bartók. ‘Stick Dance’ klinkt echter al even ingetogen.