Het ongewone van het Australische duo ZÖJ begint al met de bezetting. We horen Gelareh Pour op de Kamancheh en de alt gheychak, beide Perzisch snaarinstrumenten, verwant aan de luit en met indringende vocalen en Brian O’Dwyer achter de percussie. Dat is qua instrumentatie alles, al zou je dat als je de muziek beluistert niet zeggen. Die muziek op het uit 2025 stammende ‘Give Water to Birds’, dat hier niet eerder aan bod kwam en het dit voorjaar verschenen ‘May The Devil’s Ear Be Deaf’ doet de rest (op het eerste album horen we ook nog gitarist Brett Langsford in een gastrol) en is het beste te karakteriseren als folk van een onbestemd soort, aangelengd met meer experimentele uitingen. De albums verschenen bij het Belgische Parèntheses Records.
‘Give Water to Birds’ bevat zes vrij lange stukken, ‘May the Devil’s Ear Be Deaf’ slechts vier. ‘Casplan’ heet het eerste stuk van het eerste album dat hier centraal staat. Het begint ingetogen, spannend, waarna de indringende stem van Pour klinkt met een gedicht over de zee en over heimwee van Siavash Kasraie, we voelen het in deze enigszins ontregelende klankwereld. ‘Forever Tehrani’ vangt aan met het ietwat raspende geluid van de kemancheh en bevat verder boeiend gitaarspel van Langsford. De dichter Ahmad Reza Ahmadi gaat hier terug naar zijn jeugd en dus naar zijn vaderland, dat ook het vaderland van Pour is. ook dus weer over heimwee en ballingschap, het klinkt mooi door in haar vocalen. ‘Tasian’ blijft lang instrumentaal, rustige, maar indringende klanken van die prachtige, voor ons ongewone instrumenten. Hushang Ebtehaj schreef een prachtig gedicht over het gemis dat je voelt bij een verloren geliefde, Pour brengt het groots, een schitterend nummer dat je doet stilstaan bij de tijdelijkheid van ons leven. ‘Hours of ripened grapes’ begint met intieme, maar ook wat experimentele klanken, we horen duidelijk de percussie van O’Dwyer en de kamancheh. Of is dit de alt gheychak? Wellicht weet u het antwoord, mijn kennis schiet hier te kort. ‘On our little balcony’ gaat ook over herinneringen en heimwee. Het bijzondere aan dit stuk is dat het louter bestaat uit de voordracht in het Farsi door Eshagh Abdollahpour van dit door Freydoon Moshiri geschreven gedicht. Aansluitend klinkt het laatste stuk: het volledig instrumentale ‘Marbles for Kaylie. Al even melancholiek als die gedichten, maar wel met een stuwende, meeslepende kracht.
Het live opgenomen ‘May The Devil’s Ear Be Deaf’ vangt aan met ‘Termites’. We horen subtiele percussie en vocale klanken, waaruit slechts zeer geleidelijk een tekst vloeit. Het is, meer nog dan het vorige album, muziek die de tijd neemt. Muziek die voortkabbelt, rust brengt, je doet stil staan, of zoals verwoord in de tekst bij het album: “Voice, kamancheh, and drums move through silence and resonance, leaving space for the air between notes and the emotion inside them”. De bijzondere klanken van de kemancheh komen prachtig tot uiting in het abstract repetitieve ‘Desert motreb’. Verderop valt O’Dwyer bij en ontstaat een meeslepend, steeds indringender klankkunstwerk. Een kort gedicht van Ebtehaj staat centraal in het al even meeslepende ‘Woe to the Ear’ en ook hier vallen de experimentele klanken van de kemancheh op. Tot slot van dit prachtige album klinkt het weer volledig instrumentale ‘She sleeps with genies’. Heel geleidelijk voeren de twee musici de muziek hier naar een dynamische climax, een prachtig slot van een overweldigende muzikale ervaring.
Beide albums zijn te beluisteren en te koop via Bandcamp:
