Anton Bruckner – Symfonieën compleet – Deel 3 (CD Recensie)

In deze laatste recensie gewijd aan de onlangs verschenen box ‘Anton Bruckner: Symphonies 1-9’ van de Berliner Philharmoniker besteed ik hier aandacht aan de zevende, de achtste en de negende symfonie. Gedirigeerd door respectievelijk Christian Thielemann, Zubin Mehta en Sir Simon Rattle.

En dan brengt op 30 december 1884 het Gewandhausorchester van Leipzig onder leiding van Arthur Nikisch de première van de zevende symfonie en gebeurt waar de dan al zestig jarige Bruckner altijd al van droomde, maar wellicht niet meer verwacht had. De perceptie slaat om en drastisch, de zevende symfonie maakt een ware zegetocht. Waarom nu ineens wel, denk je als je het werk beluistert. Een monumentale symfonie, maar niet wezenlijk anders of beter dan bijvoorbeeld de vijfde of de zesde. En toch, ook nu wordt die zevende nog steeds het vaakst gespeeld. Zo dirigeerde Haitink deze symfonie tijdens zijn laatste optreden in het Concertgebouw tijdens het NTR Zaterdagmatinee van 19 juni 2019, nog steeds te zien via YouTube. Een noviteit is wel de inzet van de zogenaamde Wagner tuba’s. Aan het begin van het ‘Adagio’ klinken ze voor het eerst, direct herkenbaar aan de sonore klank. En dan is er natuurlijk dat inmiddels overbekende melodische patroon in het ‘Scherzo’. Is het dat wat vandaag op de kop af 137 jaar geleden het publiek in Leipzig over de streep trok? Hoe dan ook, ook hier klinkt de Berliner Philharmoniker weer briljant, waar Zimmermann het zijne aan toevoegt.

Het was echte zeker geen gelopen race na dit succes. Hermann Levi, verantwoordelijk voor die zo succesvolle première van de zevende, was over de achtste totaal niet te spreken. Het maakte Bruckner radeloos, hij begon direct de symfonie weer over hoop te gooien en bewerkte in één moeite door ook maar direct de eerst en de derde symfonie, ingrepen die we nu als totaal overbodig beschouwen. Dat is anders met de achtste, waarvan ook hier de laatste versie, die van 1890 wordt gespeeld. Bijna anderhalf uur duurt deze symfonie, een ware muzikale kathedraal wordt hier opgetrokken en het is de absolute verdienste van Mehta dat werkelijk iedere steen perfect op zijn plaats valt. Met name het derde deel, het ‘Adagio’ – Bruckner verwisselt in deze symfonie het ‘Adagio’ en het ‘Scherzo van plaats – is van een ongekende transparantie en schoonheid.

Al dat gesleutel aan de eerste, derde en vooral de achtste belette Bruckner uiteindelijk om zijn negende af te maken. De eerste drie delen voltooide hij, het laatste deel niet. In de afgelopen decennia zijn we er echter achter gekomen dat Bruckner veel meer afhad van die finale dan altijd gedacht. En het viertal Giuseppe Mazucca, Nicola Samale, John A. Phillips en Benjamin-Gunnar Cohrs ondernam in de jaren ’80 van de vorige eeuw een eerste poging om tot een acceptabel vierde deel te komen, een kunststukje dat ze in 2010 nog eens aanscherpten. Het is deze visie waar Rattle zich hier sterk voor maakt, tot nu toe als één van de weinigen. Reeds in het eerste deel is de spanning merkbaar, maar die doet nog sterker van zich spreken in het ‘Scherzo’, dat net als in de achtste ook hier het tweede deel vormt. En dan is er die zinderende finale, die inderdaad helemaal als Bruckner aanvoelt en deze symfonie zonder meer compleet maakt.

Ik heb bijzonder veel gehad aan de veel uitgebreidere recensie van deze box van de hand van Maarten Brandt op Opus Klassiek, waarvoor dank.