Leoš Janáček – Foxie! / Příhody Lišky Bystroušky (Concert Recensie)

Muntpaleis, Brussel – 19 maart 2017 

pic-9De Tsjechische componist Leoš Janáček schreef in de laatste tien jaar van zijn leven, hij stierf op 74 jarige leeftijd, maar liefst vier opera’s. De tweede van de vier ‘Příhody Lišky Bystroušky’ oftewel ‘de avonturen van vosje spitsoortje’ en abusievelijk vertaald als ‘het sluwe vosje’ is daarvan wellicht wel de meest bijzondere. De opera ging in 1924 in Brno in première en is inmiddels uitgegroeid tot één van de klassieken van de vorige eeuw.

En nu dus ook in de Brusselse Munt in een overrompelende en zeer originele regie van modeontwerper en beeldend kunstenaar Christophe Coppens die hiermee zijn debuut maakt bij de opera. Samen met het Symfonieorkest en koor van de Munt tekent dirigent Antonello Manacorda voor het muzikale deel.

En dat is een hele opgave want ‘Foxie!’ zoals Coppens de opera heeft genoemd, waarover zo meteen meer, is eigenlijk in eerste instantie een symfonisch werk. Het stuk bezit dan ook vrij veel, behoorlijk lange orkestpassages waarin Janáček het verhaal muzikaal verbeeld. En waar er wordt gezongen is dat als het ware een soort van bekrachtiging van de muzikale lijnen. In die muzikale verbeelding maakt Janáček veel gebruik van de Tsjechische volksmuziek en in zijn teksten brengt hij een hulde aan de Tsjechische spreektaal. Als vernieuwer aan het begin van de twintigste eeuw past hij in het rijtje Stravinsky, Bartók en Kodály. Componisten die letterlijk een stem gaven aan het gewone volk. Dat dit vaak ook componisten betreft uit landen die tot voor kort deel uit maakte van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie hoeft geen verbazing te wekken. Tsjecho-Slowakije had net na de eerste wereldoorlog zijn onafhankelijkheid verkregen en de muziek van Janáček en meer specifiek deze opera moet dan ook zeker in dit licht worden gezien.

la-monnaie-mzy1ndmyotu1nw

Links de pastor, midden de beveiliger, rechts de schoolmeester. Foto: B. Uhlig

Als basis voor ‘Příhody Lišky Bystroušky’ koos Janáček een stripverhaal van Rudolf Těsnohlídek genaamd ‘Liška Bystrouška’ dat in 1920 verscheen in de krant. Het verhaal gaat over een vosje, een vrouwtje dat door een boswachter gevangen wordt genomen, de kippenren leeg eet en ontsnapt aan de boswachter die dit natuurlijk niet ongestraft wil laten. De vos vindt vervolgens haar geluk in het bos, sticht een gezin maar komt jammerlijk aan haar eind door een stroper. Het verhaal van het vosje is in de opera leidend. Daarnaast zien we een aantal mensen, allemaal mannen en hun geploeter in de liefde: de boswachter, een onderwijzer, de pastoor en de stroper.

De opera is altijd zo neergezet, als sprookje. Met pratende en zingende dieren. Coppens vond het tijd worden voor een andere insteek. En het moet gezegd, die werkt op een paar kleine punten na prima. Coppens heeft van het vosje een tiener gemaakt, genaamd Foxie. Een jonge meid die haar weg moet vinden in de wereld van de volwassenen. Het is niet zo heel vreemd want ook Janáček zelf heeft lang op twee gedachten gehinkt als het gaat om de betekenis van het vosje. Dat werd zeker mede ingegeven door de getrouwde en veel jongere Kamila Stösslová waar hij sinds 1916 hopeloos verliefd op was en die voor hem fungeerde als muze. Bij Coppens gaat de opera dus eigenlijk over volwassen worden, de generatiekloof en over de kracht van vrouwen. Girl Power, om het maar eens populair uit te drukken. En Lenneke Ruiten zet haar zeer overtuigend en met glans neer. Ze is stoer en kwetsbaar tegelijk en ze gaat haar eigen weg wat er ook gebeurt. Prachtig is de scène in het kippenhok met de haan uitgedost als een wel erg opzichtig soort pooier. Ze probeert de kippen in opstand te krijgen, wat haar natuurlijk niet lukt. Maar ze is ook kwetsbaar, wat zijn hoogtepunt bereikt als ze haar partner ontmoet, een meisje. Mooi dat Coppens hier kiest voor een lesbische relatie. Geholpen door Janáček die voor de rol van de vos een sopraan koos. Ruiten speelt en zingt de ontmoetingsscène voorbeeldig. Eerst nog stoer en gereserveerd, maar dan durft ze zich kwetsbaar op te stellen en komt de frustratie van de behandeling door de boswachter eruit.

la-monnaie-mtq1mji1mtm0oq

‘De dood’ van Foxie. Foto B. Uhlig

De lezing van Coppens heeft echter twee nadelen. De eerste is de rol van de natuur. Die was door Janáček niet zo maar gekozen. Hij was in 1920 verhuisd naar het huis waar hij als kind was opgegroeid, op het platteland en hij besteedde bijzonder veel tijd aan het in notenschrift noteren van geluiden in de natuur. Geluiden die hij verwerkte in zijn muziek. Coppens kiest ervoor om de opera te laten spelen in een grote hal, de boswachter is een beveiliger en de natuur krijgt de vorm van een serie praalwagens. Het is een vondst die gelukkig bijna altijd werkt alleen aan het eind bij de mijmering van de boswachter wreekt het zich. De praalwagens voldoen op dat moment niet meer. Veel belangrijker nog is de dood van Foxy / het vosje. Die dood is bij Janáček geen enorme dramatische gebeurtenis, zoals dat bijvoorbeeld in Alban Berg’s ‘Wozzeck’ die een jaar later in première ging en nu hernomen is door de Nationale Opera en Ballet, wel het geval is. De dood van het vosje behoort volgens Janáček bij het leven, bij de cyclus van de natuur. De boswachter / beveiliger mijmert er dan ook over en Janáček verwoordt het mooi als de man vervolgens een vosje ziet dat sprekend op het dode vosje lijkt. Hij wil haar vangen en nu wel goed opvoeden. Deze setting is vanuit de dood van een vosje wel te verklaren, maar veel minder vanuit de dood van een jonge vrouw. Coppens maakt zo de stroper, die haar dood op zijn geweten heeft en de burgers van het dorp tot wel heel harteloze mensen.

Of gaat Foxie niet dood? Helemaal aan het eind verschijnt ze ineens in haar eentje op het podium. En hoe zit het met het gebaar van die stroper voordat hij haar neerschiet? Die bierfles tussen zijn benen ter hoogte van zijn kruis. Is het aanranding in plaats van moord? Kan deze macho niet pruimen dat een vrouw kiest voor een lesbische relatie? Het zou zo maar kunnen. Harašta, de stroper steekt tenslotte alle mannen uit het dorp de ogen uit doordat hij die knappe zigeunerin aan de haak heeft geslagen.

Maar goed, hoe het ook zij, Coppens visie is zeker een interessante en kan als geslaagd worden beschouwd. Ruiten is een perfecte Foxie en ook Andrew Schroeder komt als beveiliger prima uit de verf. Maar bovenal leveren het orkest en Manacorda een schitterende prestatie. De muziek draagt deze opera en Manacorda leeft zich er vol energie en passie in uit.

Reacties zijn gesloten.