Wieke Karsten – In de Muziek (Boek Recensie)

Ik geef het nu maar eens toe, na ruim zes jaar schrijven over muziek, ik bespeel geen instrument. Sterker nog, ik kan geen noot lezen! Des te opmerkelijker is het dat ik mij de afgelopen weken verdiepte in het bij Amsterdam University Press verschenen  ‘In de Muziek’, dat van fluitiste en docente Wieke Karsten de ondertitel ‘Over musiceren, studeren en het brein’ meekreeg en dat dus gaat over het instuderen van repertoire.

Wat mij het meest aanspreekt is de brede kijk die Karsten in de loop van haar carrière als musicus – en ze verlevendigt haar betoog geregeld met anekdotes uit haar eigen praktijk –  ontwikkeld heeft op het musiceren. Dat doet ze middels een prachtige metafoor, “het huis van de musicus”, een grachtenpand dat inclusief kelder en zolder vijf verdiepingen beslaat. Alles begint ook bij haar bij de partituur, daarbij direct helder makend waar ze staat als het om muziek gaat. Inderdaad Karsten richt zich primair op de student die klassieke muziek speelt en niet op de student die kiest voor vrije improvisatie. Die partituur is de basis, daarin heeft de componist zich uitgesproken. Dat betekent allereerst dat er goed gelezen moet worden en dat blijkt minder voor de hand liggend dan het wellicht lijkt. Een klein symbooltje in een complex notenbeeld kan immers een wereld van verschil maken. Maar hoe duidelijk een partituur ook is, er blijft altijd ruimte voor interpretatie. Het vormt bij Karsten de begane grond. We hebben het dan ook over het zoeken naar achtergrondinformatie, het beluisteren van opnames en eigenlijk over het vertellen van het verhaal, het krijgen van een visie op het stuk.

Foto: www.wiekekarsten.nl

Bijzonder is dat we het dan pas, op de eerste verdieping, gaan hebben over techniek! Het begrip ‘techniek’, zo stelt Karsten, wordt vaak te eng geformuleerd. Het gaat volgens haar om het ontwikkelen van een “brede kijk” en ze vervolgt: “door ons te realiseren dat techniek slaat op alles wat we in de eerste twee lagen van het huis van de musicus hebben bestudeerd. Ons doel is dus niet alleen om foutloos te spelen, waardoor we geneigd zijn om alleen de lastige passages te studeren, maar om alles wat de componist heeft geschreven, inclusief onze eigen interpretatie, zo mooi mogelijk ‘tot klinken te brengen”. Dat gaat niet vanzelf en Karsten druk de uitvoerders dan ook op het hart om de tijd te nemen voor deze drie fases, die ze samen ook beschrijft als “input”. Hedendaagse gecomponeerde muziek, zo stelt ook Karsten, vraagt daarnaast nog een aantal extra competenties. Afwijkende maatsoorten, technieken en notatievormen en het gebruik van elektronica maken het instuderen van deze stukken nog een fractie lastiger. Helaas gaat Karsten hier verder vrijwel niet op in en zijn alle voorbeelden die ze noemt, ontleend aan het ijzeren repertoire.

De “output” beslaat de tweede verdieping en de zolder: meesterschap en expressie. Dat is wat we als concertbezoekers, als alles goed gaat, te zien en te horen krijgen. Dat is ook wat er voor zorgt dat we in vervoering raken, een daverend applaus geven en opgetogen de zaal verlaten. Of juist niet. Dat verschil zit hem al lang niet meer in de noten, maar veel meer in dat meesterschap en die expressie. Maar de weg daarnaar toe is lang en vol voetangels en klemmen, iets dat Karsten mooi duidelijk maakt. Ik heb in ieder geval nu nu nog meer waardering gekregen voor de musicus dan ik al had!,

Karsten gaat natuurlijk nog veel dieper in op de materie, biedt de uitvoerend musici een ware schat aan oefeningen – daarbij zeker niet alleen aandacht bestedend aan het spelen zelf – staat uitgebreid stil bij de werking van het brein en hoe leerprocessen in elkaar steken en voegt daar uitgebreid haar eigen ervaringen aan toe. Kortom een zeer bruikbaar boek voor iedereen die een instrument bespeelt of zingt en tevens zeer lezenswaardig voor iedere leek die meer wil weten over wat er nu eigenlijk allemaal komt kijken bij het instuderen van muziek.

Reacties zijn gesloten.