Rotterdams Philharmonisch Orkest & Valery Gergiev – Dmitri Sjostakovitsj (Concert Recensie)

De Doelen, Rotterdam – 26 januari 2020

Foto: Guido Pijper

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest en zijn voormalige chef dirigent Valery Gergiev, het blijft een bijzondere combinatie. Al die jaren dat ze reeds met elkaar samenspelen, nu weliswaar iets minder intensief dan vroeger, het betaalt zich iedere keer weer uit. En gelukkig gebeurt dat op regelmatige basis. Gergiev heeft niet alleen zijn eigen festival, waarmee het orkest ieder jaar het seizoen opent, maar komt ook tussendoor nog op bezoek, zoals nu om twee grote stukken van Dmitri Sjostakovitsj te dirigeren: het eerste celloconcert en de vijftiende symfonie.

Foto: www.gautiercapucon.com

Het eerste celloconcert schreef Sjostakovitsj in 1959 voor zijn vriend de beroemde cellist Mstislav Rostropovitsj. Ze kenden elkaar al sinds Rostropovitsj deelnam aan Sjostakovitsj’ compositieklas en de cellist bleef zijn vriend, die regelmatig onder vuur lag van de Sovjet dictatuur, trouw in deze moeilijke tijden. Dit celloconcert mag dan ook gerust gezien worden als een soort van eerbetoon aan deze befaamde cellist. Opvallend is het eerste deel, het ‘Allegretto’ waarin een enorme dynamiek zit. De cellist begint dit deel met een korte solo, waarna het orkest zich letterlijk erbij voegt, de cello volgend. De partij in dit eerste deel klinkt ronduit heftig, weerbarstig en voorzien van een sterke ritmische onderstroom. Alsof de spreekwoordelijke duivel de cellist, hier de Fransman Gautier Capuçon, op de hielen zit. Capuçon  kwijt zich magistraal van deze taak en Gergiev pookt het vuur goed op. In het ‘Moderato’ horen we een geheel andere kant, dit deel blinkt uit door de grote mate van intensiteit in de lyriek. Ademloos luisteren we hoe Capuçon hier, met bijzonder veel gevoel voor de details het muzikale materiaal vorm geeft. In dit deel valt ook de rol van de hoorn op, iedere keer klinkend als een soort van oproep. Sjostakovitsj herhaalt dit op een aantal momenten, voor het laatst in het vierde deel, het ‘Adagio’. Prachtig ook hoe in dit deel deze cellist de zeer intense en verstilde solo speelt, terwijl de strijkers uit het orkest hem op verschillende momenten pizzicato onderbreken.

Het concert begon met de ‘Ouverture Guillaume Tell’ van Gioacchino Rossini uit 1829. Een ouverture die bekender is dan de opera waar hij de opmaat voor vormt. Op papier lijkt het een wat vreemde combinatie, deze ouverture met twee stukken van Sjostakovitsj, maar dat is het uiteindelijk niet. Want deze ouverture diende de meester als inspiratie voor zijn vijftiende symfonie. De componist schreef hem aan het einde van zijn leven, in 1971. De première, gedirigeerd door zijn zoon Maxim, viel in goede aarde, niet alleen bij het publiek, ook bij de autoriteiten, iets dat meer uitzondering dan regel was. Die lof was weliswaar verdiend, maar ook om een andere dan politieke redenen, niet geheel voor de hand liggend. Deze symfonie wijkt namelijk op een aantal punten nogal af van wat we gewoon zijn. Alleen al dat begin van het eerste deel, het ‘Allegretto’, met dat patroon op het glockenspiel, dat doet denken aan belletjes, is bepaald ongewoon. Aansluitend horen we verderop als eerste van meerdere citaten, een fragment uit die hierboven genoemde ‘Ouverture Guillaume Tell’. Andere citaten volgen in de volgende delen, waaronder uit Sjostakovitsj’ eigen symfonie nr. 4 en de ‘Todesverklärung’ uit ‘Richard Wagners ‘Ring des Nibelungen’.

De deskundigen zijn het er niet over eens, zo stelt ook Eelco Beinema in de toelichting, hoe we dit alles moeten beschouwen. Is de symfonie autobiografisch? Over dat ‘Allegretto’ zei Sjostakovitsj later dat het verwees naar zijn kindertijd, vandaar dat citaat van Rossini en die feeërieke klankwereld. Staat het ‘Adagio’ dan voor die periode waarin de componist opbokste tijdens het regime? Het zou de wonderlijke constructie van dit deel verklaren dat eigenlijk vrijwel geheel uit solo’s bestaat. Eerst de cello, dan de hoorn, de viool, verderop de trombone, soms afgewisseld met frases van groepen instrumenten. Nogal ongewoon voor een symfonie. Ook het slot is ongewoon. De kolkende climax waar symfonieën nogal eens mee eindigen hebben we dan al achter ons. Weer klinkt er wonderlijk slagwerk, teruggrijpend op het begin, als van speeldoosjes. De violen klinken zeer zacht op de achtergrond en het is klaar voor je het door hebt.