Erkki-Sven Tüür – Aeris / Lepo Sumera – Symfonie nr. 1 & 6 / Toivo Tulev – Dawn, Almost Dawn (CD Recensie)

Drie componisten uit Estland vandaag: Erkki Sven Tüür, Lepo Sumera en Toivo Tulev. Een andere rode draad in dit verslag is het Estonian National Symphony Orchestra, dat onder leiding van chef-dirigent Olari Elts alle stukken op het bij ECM Records verschenen ‘Aeris’ van Tüür uitvoert en de beide symfonieën op het album van Sumera dat bij Ondine verscheen en tot slot met Michael Wendeberg op de bok ‘Black Mirror’ van Tulev speelt op het bij Navona Records verschenen ‘Dawn, Almost Dawn’. Als enige van de drie albums bevat dit laatste album ook nog een aantal stukken voor kleine bezetting. De drie componisten waren / zijn generatiegenoten. Sumera werd geboren in 1950 en overleed in 2000, net vijftig jaar oud. Tulev is van 1958, Tüür van 1959 en beiden zijn gelukkig nog steeds actief.

‘Aeris’ vangt aan met ‘Phantasma’ uit 2018. Een zeker in het begin spannend stuk door het slagwerk en de klankwolken van de strijkers. Gaandeweg in kracht toenemend, al vallen al snel ook de hoge klanken van de blazers op, als nevelslierten stijgen ze op uit het zware slagwerk. Verderop krijgt het stuk nog meer dynamiek en valt vooral het meeslepende karakter op, dat zich onvermijdelijk richting een climax spoedt. Eindigen doen we echter uiterst ingetogen. De tiende symfonie van Tüür, gecomponeerd in 2021, kreeg de titel ‘Aeris’ mee, waar het album dus naar vernoemd is. Bijzonder is dat de componist het schreef voor hoornkwartet, hier German Hornsound en orkest. Ook hier beginnen we met aanzwellend slagwerk, tot drie keer toe zwellend vanuit fluisterzachte orkestklanken. Pas dan horen we lichte klanken van de blazers, als water verspreidt het zich tot het iets verderop uitmondt in een dansbare ritmiek. Dan horen we duidelijk dat hoornkwartet, als een oproep, gevolgd door stomende ritmiek uit het orkest. De rust keert terug, samen met de hoorns, voor een prachtig sfeervol deel, waarin de klank van de blazers overheerst. Gaandeweg loopt ook nu de spanning echter weer op. Halverwege de symfonie valt het speels klinkende slagwerk op, een nieuwe ritmische frase inluidend. Na de climax trekken donkere wolken door het orkest, ‘De Profundis’. dat Tüür in 2013 schreef en opdroeg aan Elts is een vrij somber werk. Logisch, aangezien de titel verwijst naar Psalm 130, die begint met de woorden “De profundis clamavi ad te, Domine”, wat betekent “uit de diepten roep ik tot U, Heer”. Al krijgt het geheel gaandeweg wel wat meer kleur en diepgang. Iets over de helft worden we bovendien verrast met heftig slagwerk.

De uitgave met de eerste en zesde symfonie van Sumera moet uiteindelijk gaan leiden tot een uitgave met alle zes zijn symfonieën, die hij schreef over een periode van twintig jaar, tussen 1981 en 2000. De eerste symfonie, beiden bestaan uit twee delen, begint vrij dramatisch, met een meeslepende langzame ritmiek, tot die vrij onverwachts stilvalt. Een bijzonder ingetogen frase vangt aan, een nevel van klank, waaruit zich gaandeweg een steeds nadrukkelijker ritmisch patroon van hoge noten losmaakt. Sumera bouwt dit, volgens mij aan de volksmuziek ontleende patroon, steeds verder uit. Heel bijzonder. De klank van het orkest wordt voller, indringender, maar die meeslepende ritmiek blijft dit eerste deel overheersen. Dan belanden we weer in het rijk van de stilte, de overgang vormend van het eerste naar het tweede deel. Dan ontvouwt zich een nieuw, opvallend dynamisch patroon. De strijkers sturen een meeslepend, ritmische frase aan, een feest aan klanken. Tot het ook nu weer, net voor de helft van dit tweede deel, volledig uitdooft en we wederom naar uiterst ingetogen klanken bewegen. En wederom ontvouwt Sumera hier zo’n bedeesd ritmisch patroon van hoge noten, te midden van zeer zachte strijkersklanken. De zesde, is dus van bijna twintig jaar later en klinkt op een aantal momenten duidelijk anders. Direct al in het eerste deel valt de spannende hectiek op en nu niet in de vorm van ritmiek, maar vrij abstract. Tegelijkertijd horen we verderop in dit eerste deel weer die hoge noten van de belletjes, zo belangrijk in die eerste symfonie en werkt Sumera ook in deze symfonie graag met grote dynamische contrasten. Bijzonder is het begin van het tweede deel van deze symfonie en de sprookjesachtige klankwereld die de componist hier creëert.

Zoals gezegd bevat het album met de muziek van Tulev één stuk voor orkest: ‘Black Mirror’, uit 2016. Tulev componeerde het voor het uit Istambul afkomstige Hoca Nasreddin trio, dat we hier samen met het orkest horen. En dus ook Nikolai Galen, de vocalist van dit trio. Hij zingt een deel van zijn eigen gedicht, dat eveneens de titel ‘Black Mirror’ draagt. Volgens Tulev is dit stuk “among other things a story about how we create gods in our own image, a story about how fundamental affirmation is becoming its own opposite, deeply violent, hysterical and inhuman negation”. Opwindend en spannend en natuurlijk vrij duister qua klankwereld. In ‘And I Loved You Like a Branch Breaking Under the Snow’, uit 2021 horen we Mari Targo op viool, begeleid door het YXUS Ensemble, onder leiding van Kaspar Mänd. Het stuk, oorspronkelijk geschreven voor kamancheh en ensemble ontleent zijn titel aan een gedicht van de Iraanse dichter Bijan Elahi. Het is een opvallend melodieus stuk, wat weemoedig bovendien. Tot slot bevat het album nog het titelstuk, ‘Dawn, Almost Dawn’ voor ney, de in de Turkse muziek veelgebruikte fluit, op dit album in handen van Ayça Arın, waar Tuleve het stuk ook voor componeerde. Een bijzonder stuk voor een instrument dat binnen de hedendaagse gecomponeerde muziek zelden te horen is. Tot slot klinkt het lied ‘Fana’ – met slechts deze regel van Inayat Khan : “Every tear in Thy love, Beloved, exalts my being” –  dat wordt uitgevoerd door de mezzo-sopraan Iris Oja, begeleid door altviolist Kristjan Kannuke.