Rotterdams Philharmonisch Orkest-Valery Gergiev – Dmitri Sjostakovitsj & Sergej Prokofjev

De Doelen, Rotterdam – 25 januari 2019

Foto: Chris Christodoulou

Buiten is het grijs en grauw en verdrijft de motregen de laatste sneeuw. Binnen in De Doelen lijkt het of het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van de ere gastdirigent Valery Gergiev daarbij niet te veel uit de toon wil vallen. Wat wil je ook met het eerste vioolconcert van Dmitri Sjostakovitsj en de zesde symfonie van Sergej Prokofjev op de lessenaar. Het zijn immers geen stukken waar je nu echt eens van opvrolijkt. Laten we echter direct stellen dat dit op geen enkele wijze ook maar iets zegt over de uitvoeringen, die zijn top, maar alles over de componisten en de omstandigheden waaronder zij hun werk moesten doen.

Beide stukken stammen uit de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog. Stalin had afgerekend met de Nazi’s en concentreerde zich nu met zijn terreur op zijn eigen land. Sjostakovitsj, om daar maar eens mee te beginnen, was al nooit de favoriet geweest van de Sovjets. Zijn werk was veel te ambitieus, veel te ingewikkeld en vooral, zoals de censuur dat noemde, te formalistisch. Andrej Zjdanov, de partij-ideoloog vergeleek die muziek tijdens het Congres van de Componistenbond nog met de boor van de tandarts en weinig kies: met een muzikale vergassingsauto zoals de nazi’s die inzette. Als componist doe je dan twee dingen: je past je aan met de muziek die je naar buiten brengt en je schrijft in het geheim de muziek waar je écht in gelooft en laat die liggen tot er betere tijden komen. Zo ontstond het eerste vioolconcert, dat Sjostakovitsj in 1948 schreef voor David Oistrach. Het wordt pas in 1955 voor het eerst uitgevoerd, tijdens de relatieve dooi onder Chroetsjov. In het eerste deel, ‘Notturno’ horen we diezelfde druilerigheid als buiten De Doelen, grijze mist, met een hoofdrol voor de bassen en de fagotten en niet te vergeten de contrafagot. Daartussen beweegt zicht de viool, één en al trage melancholie. In het ‘Scherzo’ slaat de beklemming toe, verklankt door het orkest, een virtuoso, maniakale vioolpartij flankerend. Overigens magistraal vertolkt door de Armeens violist Sergey Khachatryan. Het daaropvolgende ‘Passacaglia’ klinkt al even duister en onheilspellend en de vioolpartij beroert ons tot in de diepste vezels. Meeslepend is de ingetogen vioolmelodie richting het einde van dit deel, eerst louter begeleid door de zacht pizzicato spelende strijker en daarna door nog zachter spelende contrabassen en pauken. De ‘Burleska’, het a-typische vierde deel begint met een minutenlange solo, eerst zeer ingetogen, bijna verkennend, maar langzamerhand aan kracht winnend. Een lijn die het orkest aansluitend doortrekt om met grote felheid te eindigen.

Drie ‘formalisten’ op een rij. Vanaf links: Sergej Prokofjev, Dmitri Sjostakovitsj en Aram Chatsjatoerjan.

Prokofjev verging het in die jaren niet veel beter en hij zal er wellicht nog wel eens spijt van hebben gehad dat hij in de jaren ’30 vrijwillig naar de Sovjet Unie terugkeerde. Hij is in de jaren na de oorlog als deze symfonie tot stand komt reeds ernstig ziek en de opinie over zijn werk ligt in dezelfde lijn als die over de muziek van zijn collega Sjostakovitsj. Deze persoonlijke omstandigheden meewegend is het geen wonder dat ook dit stuk nu niet bepaald vrolijk klinkt. Een uitzondering is het derde deel, ‘Vivace’. Maar dat is dan ook tegelijkertijd het zwakste deel. Dit is al te zeer een knieval voor de censuur en brengt het geheel meer schade toe dan dat het goed doet. Want hoe somber Prokofjev ook aanvangt met het ‘Allegro moderato’, het werkt wel. Opvallend melodisch, prachtig verklankt door de hobo, de violen en de fagot, maar met een inktzwarte ondertoon. En in dit deel creëert de componist een meesterlijke spanningsboog die door Gergiev groots wordt neergezet, hij heeft hier duidelijk gevoel voor. In het ‘Largo’ neemt die duisternis nog verder toe. Tergend slepend kun je dit noemen, vol diepe, intrinsieke melancholie. Aansluitend vinden we dat ‘Vivace’. Met de moed der wanhoop is de enige omschrijving die bij deze uitbarsting van energie past.

Maar wat een geluk dat componisten als Sjostakovitsj en Prokofjev, naast nog vele anderen, zich niet hebben laten weerhouden. Want deze muziek is tijdloos en dat kan onmogelijk worden gezegd van die componisten die zich met volle overtuiging voegden naar de Sovjet Doctrine en zich verre hielden van het formalisme.

Reacties zijn gesloten.